startpagina

register
trefwoorden

index
literatuur


taalwerkvormen


bekijk
foto's, werk


lees ook:
Taalvermogen
en taalvaardigheid

Whole Language




Whole Language en Taalvorming
Wat zouden we doen zonder taal?

We zouden zonder taal nog steeds slim, maar wel verschrikkelijk gefrustreerd, zijn

Taal maakt het ons mogelijk ervaringen uit te wisselen, van elkaar te leren, met elkaar te overleggen en ons denkvermogen te vergroten door onze gedachten te verbinden met die van anderen.
Veel mensen denken dat als dieren konden praten ze intelligente dingen zouden zeggen.
Dat is niet waar en wel om twee redenen.

Alleen menselijke wezens zijn in staat in symbolen te denken - systemen van op zich betekenisloze tekens die ons in staat stellen onze gedachten, en via die gedachten onze ervaringen, gevoelens, emoties en verlangens, uit te drukken. Dat maakt menselijke taal mogelijk. We hebben een intensieve behoefte aan sociale interactie daarvoor is menselijke taal onmisbaar.

Sommige dieren, bijvoorbeeld papegaaien, hebben het vermogen een reeks gevarieerde klanken te maken die lijken op menselijke spraak,. Maar hun geluiden missen de symbolische kwaliteit van een taal: ze vertegenwoordigen geen gedachte. Als we met ze konden praten zouden we ontdekken dat ze niets te zeggen hebben. Ze missen iets dat wij bezitten: intellectuele capaciteit en behoefte aan taal.

Taal delen en in taal groeien
Taal begint als een communicatiemiddel tussen deelnemers van een groep.
Echter, ieder opgroeiend kind verlangt inzicht in het leven, een cultureel perspectief, met name waar het zijn eigen cultuur betreft.
Als kinderen een bepaalde taal leren beheersen zullen ze eveneens een bepaalde cultuur, en de waarden ervan, met elkaar delen.

Taal maakt het mogelijk om gedachten op een onvoorstelbaar subtiele en complexe manier met elkaar te verbinden.
Taal wordt gebruikt om onze eigen ervaring te beschouwen en die symbolisch voor ons zelf te verduidelijken.
Door taal delen we wat we leren samen met en van andere mensen.
Op deze manier leert het mensdom wat een enkel individu nooit kan beheersen.
De samenleving stapelt taal-leren op ervaringsleren.
We delen zelfs onze esthetische en emotionele reacties gebaseerd op ervaringen.

Proza en poëzie kunnen de ervaring van de schrijver zodanig vertegenwoordigen dat de lezers of luisteraars dezelfde gevoelens krijgen als wanneer het hun eigen ervaring betreft.
In de fantasie kan taal zelfs een ervaring oproepen.

Geschreven taal kan grotendeels het menselijke geheugen uitbreiden door het mogelijk te maken meer kennis op te slaan dan de hersens kunnen bevatten.
Daarenboven verbindt taal ons met mensen op verre afstand en uit vervlogen tijden, met al overleden schrijvers.
Als geschreven taal goedkoop geproduceerd en ruim verspreid wordt is het een krachtbron. Analfabetisme en het beperken van het gebruiken van taal is het beperken van sociale en persoonlijke kracht.

Menselijk en persoonlijk
Taal is niet een gift voor een enkeling. Iedereen beschikt over het vermogen om een taal te ontwikkelen, en velen van ons leren meerdere talen als dat nodig is.
Maar die algemeenheid mag niet het unieke van ieders persoonlijke taalontwikkeling verbergen.
Als zuigelingen beginnen we met het vermogen en de noodzaak om met anderen te communiceren.
We ontwikkelen een eigen taal.
Als we dat doen zal ieder van ons naar de taal van thuis en zijn omgeving groeien, maar zelfs dan houdt ieders eigen taal persoonlijke karakteristieken. Iedere stem is herkenbaar voor anderen, ieders taalgebruik heeft een uitgesproken stijl, zoals ieders vingerafdruk verschilt van die van een ander.

Het leren van taal wordt vaak beschouwd als imiteren.
Maar mensen zijn meer dan papegaaien die onzin in herkenbare klanken produceren.
De menselijke taal vertegenwoordigt wat de taalgebruiker denkt, niet alleen maar wat anderen hebben gezegd. Hoe zouden we anders nieuwe ideeën als antwoord op nieuwe ervaringen kunnen ontwikkelen?
Menselijke taal maakt het mogelijk nieuwe gedachten te uiten die door anderen, die daarvan nog nooit gehoord hebben, begrepen worden.
Als taal alleen voor onszelf was, zou het niet werken in onze behoefte om met anderen te communiceren.
We moeten onze taal delen met onze ouders, onze familie, onze buren, ons volk.

Opmerkelijk is het dat de persoonlijke kracht om taal te ontwikkelen gevormd wordt door sociale behoefte om anderen te verstaan en verstaan te worden en dat de individuele taal snel binnen de normen van de taal, of de talen, van de gemeenschap valt.

Symboliek en systematiek
Tekens hebben geen betekenis in zichzelf.
We kunnen symbolen, klanken in gesproken taal of lettertekens in geschreven taal, combineren tot woorden die iets vertegenwoordigen.
Wat de woorden betekenen is wat we daarover hebben afgesproken. De symbolen moeten door anderen worden aanvaard om voor ons als taal te kunnen werken . Indien nodig kunnen we ze uitbreiden of bewerken zodat ze iets nieuws betekenen.
De samenleving en individuen zijn voortdurend bezig symbolen toe te voegen, te veranderen of te hergroeperen, om tegemoet te komen aan nieuwe verlangens en ideeën.

We hebben echter meer nodig dan symbolen.
We hebben systemen nodig om de symbolen dusdanig te organiseren dat ze niet uitsluitend voorwerpen, gevoelens en ideeën voorstellen, maar dat ze ook dynamische verbindingen maken naar het ontstaan van gebeurtenissen en waarom en met welk effect op onszelf.

Taal moet een systeem zowel als symbolen bevatten, een ordening en regels om taal te produceren. Dezelfde regels die gebruikt kunnen worden om taal te begrijpen.
Natuurlijk kunnen we taal beschouwen als een samenstel van klanken, letters, woorden en zinnen.
Maar taal kan niet als communicatiemiddel gebruikt worden als het niet een systematisch geheel in de context van het gebruik ervan is.

Grammatica is het systeem van de taal.
Het bevat een beperkt aantal regels voor een bijna oneindig aantal gebruiksmogelijkheden. Grammatica voorziet in woordorde en verbuigingen, vastgesteld om personen, aantallen en tijd aan te duiden.
Maar de regels zijn niet te leren door ze te imiteren want ze zijn nooit in de taal zichtbaar.
Toch nemen de kinderen ze vanuit hun ervaring op. Door te leren praten en te luisteren laten kinderen hun opmerkelijke vermogen zien om deze gevolgtrekking te maken

Verschillend en veranderend
Waarschijnlijk is er nooit een samenleving geweest zonder mondelinge taal.
Mensen uit de prehistorische tijd zowel als moderne groepen mensen, hebben een directe vorm van communicatie nodig en mondelinge taal werkt goed voor dat doel.

Maar taal blijft niet beperkt tot spreken en luisteren.
We kunnen ieder systeem van symbolen gebruiken voor taal. Denk maar aan de morse code voor scheepsradio.
Op schepen worden ook tekens gegeven met lichtsignalen of vlaggen als de afstand voor de menselijke stem te groot is.
Tastbare systemen zoals Braille werden ontwikkeld om blinden toegang tot gedrukte taal te geven.
En doventaal met handtekens.

Pas toen de samenleving een communicatie nodig had die tijd en een afstand kon overbruggen verder dan de menselijke stem reikte, ontwikkelde zich geschreven taal.
Er ontstond een behoefte om te communiceren met familie en vrienden die niet in de buurt waren.
Cultuur werd te complex voor orale overdracht.
Geschreven taal werd ontwikkeld om het geheugen en het bereik van de sociale gemeenschap uit te breiden.

In de hedendaagse wereld zijn ook communicatievormen tussen computers en andere machines ontwikkeld.
Taalvorming aanvaardt de verantwoordelijkheid van de school om taal in dat verband eveneens te ontwikkelen.
Omdat individuen en gemeenschappen steeds veranderen, moet taal ook veranderen.
Het gaat echter steeds om de persoonlijke behoeften van de gebruikers.
De taal van iedere generatie verschilt iets van de voorgaande. Als we ouder worden raken we op onze plek. Jongeren zijn altijd geneigd die status quo ter discussie te stellen en een taal aan te passen aan hun manier van leven.

Een bepaalde taal ontstaat als je in een bepaalde groep verkeert.
Muzikanten, jongeren, wetenschappers, schrijvers en actievoerders hebben een eigen taalgebruik dat zich snel verspreidt.
Jargon ontstaat en verdwijnt weer.

Maar niet alles heeft een kort leven, gedeelten ervan hechten zich in het dagelijkse taalgebruik.
Speciaal taalgebruik ontstaat in groepen die een gemeenschappelijke belangstelling hebben: technische terminologie en kleurrijke metaforen.
Artsen, juristen en computerhackers ontwikkelen bijvoorbeeld een jargon dat alleen door ingewijden herkend wordt.

Alle talen zijn in werkelijkheid families van dialecten.
Mensen die door afstand, fysieke grenzen zoals rivieren en bergen of oceanen gescheiden worden, mensen van een bepaalde sociale klasse, op ras gediscrimineerde, of wettelijk uit elkaar gehouden groepen ontwikkelen vormen van taal voor die speciale omstandigheden. Die verschillen in klank, woordgebruik, grammatica en idioom.

Veranderingen in levenservaringen binnen die groepen zorgen ervoor dat dialecten uit elkaar groeien.
Er blijft dan een afstand over zelfs in deze eeuw van elektronische communicatie.

Scholen behoren deze vloeiende dynamische eigenheid van taal te verwelkomen.
Wat is het niet prachtig om al die verschillende talen, dialecten en woordenschat van verschillende aard mee te maken.
Dat is toch veel meer bevredigend voor de leerkrachten dan vast te houden aan de twijfelachtige noodzaak van Algemeen Beschaafd Nederlands.


Waarom is taal belangrijk?

Is taal aangeboren?
Sommige wetenschappers denken dat, zeker als ze zien hoe vroeg en goed kinderen het leren.
Maar ik denk dat er een veel betere uitleg is voor het feit dat kinderen zo'n universele vroege controle over hun taal verwerven.

Taal voor communicatie
Kinderen zijn letterlijk gedwongen taal te leren door hun noodzaak om te communiceren. Zeker, menselijke wezens zijn begiftigd met het vermogen om in symbolen te denken.
Maar de taalontwikkeling is in werkelijkheid een middel om te overleven.

Bij onze geboorte zijn we totaal hulpeloos.
Voor onze overleving zijn we aangewezen op ons vermogen om de aandacht van onze omgeving te krijgen.
Mensen moeten ook communiceren om als complete wezens te kunnen functioneren. Kinderen moeten enorm veel leren als ze opgroeien en bijna niets is een kwestie van rijping, hoewel rijping een factor is in veel van ons leren. Ze moeten voortdurend in nauw contact met andere menselijke wezens staan, en taal is een sleutel tot communicatie.
Het is het gereedschap waarmee ze begrip krijgen voor wat anderen in de wereld ontwikkeld hebben terwijl ze zelf op zoek zijn naar begrip voor zichzelf.
Ze leren taal omdat ze moeten overleven.
En ze vinden het gemakkelijk om te leren omdat de reden helder voor hen is.

Zuigelingen zijn zich bewust wat taal voor hen betekent nog voor ze de betekenis van taal zelf kennen. Nog voor ze zich de communicatieve betekenis ervan bewust worden, gebruiken ze taal voor deelname aan het sociale gebeuren.
Mensen om hen heen wisselen met hen uit via taal, dus zij zullen het ook doen.
Heel jonge kinderen gebruiken hun stemgeluid al wanneer ze andere mensen horen praten. Als ze zo ongeveer zes maanden zijn, zullen ze vanuit hun hoge kinderstoel de gehele conversatie aan tafel beheersen.

Dat is zeker een bron van vreugde in vele gezinnen.
Vaak zijn de eerste herkenbare ‘woorden’ sociale tekens zoals da-da.
Met zulke woorden communiceren ze niet maar ze stellen er wel een interpersoonlijke taalfunctie mee vast.
Al spoedig hebben kinderen een meer expliciet communicatief taalgebruik, als ze commentaar op hun wereld geven of hun behoeften kenbaar maken.
Op dit punt gekomen groeit hun taal snel om aan hun voortdurend nieuwe behoeften tegemoet te komen.
Ze leren hun taal als ze taal gebruiken om te leren.
Vanaf het begin vinden alle drie manieren om taal te leren tegelijkertijd in de context van een totaal taalgebruik plaats.

Taal om te leren
Taal wordt een middel om te denken en te leren. Op een belangrijke manier grijpt taalontwikkeling direct in in het leerproces.
E.B. Smith suggereert dat de cognitieve ontwikkeling drie fasen kent:
de waarneming, waarbij het kind zich op bepaalde aspecten van ervaringen richt; ideeënvorming, waarbij het kind reflecteert op de ervaring; en
aanbod, waarbij kennis op de een of andere manier uitgedrukt wordt. In dit verband betekent het dat pas als een gedachte aangeboden wordt het leren voltooid is.

Taal is de meest voorkomende vorm van uitdrukken.
Vanaf de kleuterschool en tijdens het gehele leven is het voor mensen van belang de mogelijkheid te hebben om duidelijk te maken wat ze weten, om die wetenschap doormiddel van taal te delen en tijdens die presentatie het leerproces te voltooien.
Deze manier van taalontwikkeling heeft een directe verbinding met een optimaal schoolresultaat.

Meer dan één taal
Kinderen die in een twee- of meertalige omgeving geboren worden zullen alle talen van hun omgeving leren verstaan. Ze leren die talen spreken welke ze nodig hebben.
Is het voor kinderen verwarrend om meer dan een taal tegelijkertijd te leren? Nee, in het algemeen niet.
Ze leren met Oma in haar taal te spreken, in het gezin hun taal en op straat de taal van de buurt. Het verbaast kinderen in een veeltalige omgeving niet dat er om hen heen zo verschillend gesproken werd. Ze ordenen eenvoudigweg wie er spreekt en wat ze op welke momenten moeten verstaan.
Taal is gemakkelijk te leren als de noodzaak zich aandient en wanneer het beschikbaar is.
Veel meertalige kinderen ontwikkelen wel een thuistaal maar geven in gesprekken antwoord in het Nederlands.
Deze kinderen tonen hun gevoel voor subtiele sociale waarden en ingewikkelde functies van iedere taal. Ze ontdekken dat meerdere mensen om hen heen meertalig zijn en dat iedere taal bij bepaalde gelegenheden, bij verschillende familieleden, buren van verschillende leeftijd, gebruikt wordt Ze voegen deze gevoeligheid toe aan hun eigen talige behoefte.

Geloof alsjeblieft niet dat meertalige kinderen een achterstand op de een of andere academische wijze hebben. Ze zijn slechts in het nadeel als hun talige krachten ondergewaardeerd worden en scholen niet in staat zijn op die krachten verder te bouwen.

Tweetalige kinderen leren meer dan één taal met dezelfde reden dat andere kinderen er één leren: ze leren wat ze nodig hebben. Dat verklaart waarom taalprogramma’s in vreemde talen in Amerikaanse scholen zo weinig succes hebben.
De taal is gescheiden van actuele gesprekken en talige gebeurtenissen en de meeste Amerikaanse kinderen hebben er geen behoefte aan om een vreemde taal te leren.
Om succesvol te zijn moet de school lessen in vreemde talen verbinden met zinvolle taalsituaties.
In Canada waar Frans een tweede taal is wordt die ook voor instructie gebruikt en dat maakt het punt duidelijk.

Taal leren: hoe gebeurt dat?
Taal is niet aangeboren en kan niet als navolging geleerd worden.
De menselijke taal kan niet geleerd worden op de manier waarop ratten geleerd wordt om uit een doolhof te komen. Om taal te beheersen moet men de taalregels leren beheersen. Die regels moeten ontdekt en geoefend worden door de leerlingen.

Taal leren is een proces van sociale en persoonlijke ontdekkingen.
Ieder persoon ontdekt steeds opnieuw zijn taal door te proberen, met zijn omgeving in contact te komen. Maar bij die ontdekkingen wordt de gangbare taal uit de omgeving betrokken.
Die wordt voortdurend tijdens het gebruik beproefd, veranderd, verworpen of verbeterd.

Ouders onderwijzen hun zuigelingen niet echt taal.
Ze helpen de ontwikkeling ervan vorm te geven door de manier van reageren.
Gelukkig voor de baby’s zijn de familieleden zo bezorgd om te begrijpen wat het kind zegt, dat de eerste taalpogingen buiten proportie succesvol zijn.
Alles wat maar een beetje herkenbaar lijkt wordt gebruikt om een bruikbare talige functie tot stand te brengen.
Als het niet lukt stelt het antwoord een andere manier voor om het doel te bereiken, zelfs als het maar vaag begrepen is.

Ieder leren houdt een risico in
Gezinnen hebben de neiging de eerste taalpogingen te koesteren en verminderen daardoor het gevaar voor de leerling.
De kinderen mogen fouten maken en het opnieuw proberen.
Scholen dienen evenzo het nemen van risico's in taalontwikkeling aan te moedigen.

Halliday zegt dat kinderen vaak met hun taal beginnen waarbij de ouders volgen en reageren maar de kinderen het tempo laten bepalen en ze hun eigen ontwikkeling laten bepalen.
Er is zoveel taal in de ervaring van jonge kinderen, zoveel mogelijkheden om regels en hypotheses te onderzoeken waarbij ze uitwisselen met anderen als bron, dat ze als het zover is de taalregels beheersen, evenals het klanksysteem en de woordenschat.
Op dezelfde manier krijgen kinderen vat op de subtiele pragmatische beperkingen in taal, onderscheiden ze spel van serieuze communicatie, worden ze gewaar wie wat zegt tegen wie en wanneer.

Functie boven vorm
De vorm volgt de functie bij taalontwikkeling zowel als bij zo menig andere zaken.
Kinderen weten wat ze met taal willen doen en dat stimuleert hun verlangen om de vorm van taal te beheersen op een manier die past bij hun behoefte.
Het is de moeite waard het nog eens te herhalen: taal is gemakkelijk te leren als het tegemoet komt aan de functionele behoefte die kinderen hebben.

Op dit punt aangekomen zit conventionele kennis de manier van begrijpen in de weg.
Beheers je de klanken voor je praat, de akoestiek voor je leest, de spelling voor je schrijft, je woordenschat voor je taal gebruikt? Niet echt.

Kinderen spreken op een begrijpelijke manier nog voor ze de klanken van het volwassen dialect beheersen. Ze maken zinnen nog voor ze de regels ervoor kennen.
Als ze moeten wachten tot ze de conventionele spelling geleerd hebben, zullen ze nooit gaan schrijven of zelfs ontdekken waarom de spelling van belang is.

Taalgebruik begint met een functie en al experimenterend worden de vormen die nodig zijn om aan die functie te voldoen erbij betrokken. Natuurlijk worden daarbij fouten gemaakt.
We vinden die fouten bij jonge kinderen zelfs charmant, maar we zijn minder tolerant als het miskleunen van oudere kinderen betreft.

We denken dat er een ontwikkeling van laag tot laag zonder fouten bestaat.
Taalvorming accepteert de werkelijkheid dat je leert door het nemen van risico’s en het maken van fouten.
Gekrabbel, letters die achterstevoren staan, zelf bedachte spelling, creatieve interpunctie en het lezen en schrijven van die ‘miskleunen’ zijn charmante aanduidingen van een groei naar taalbeheersing.
Kinderen zijn in het algemeen zeer goed in staat de taal die ze nodig hebben op te pikken. Als hun taalgebruik op school oorspronkelijk is zal het ze geen moeite kosten de regels te leren beheersen.

Een geheel om te verdelen
Babyboeken hebben ruimte om het eerste woordje van het kind in op te schrijven.
Maar de gedachte dat kinderen beginnen met woorden en ze dan tot zinnen maken is alleen maar een illusie.
Die gedachte ontstaat omdat de fysieke beheersing voor het maken van geluiden in het begin nog beperkt is. Maar ieder da-da of ma-ma is in werkelijkheid een hele zin: 'hela kom me eens halen want ik wil wat aandacht.'

Kinderen volgen de lijn wat wetenschappers een holofrasische fase noemen.
Elk ‘woord’ is in werkelijkheid een ongedefinieerde taalkluit met een algemene betekenis in een bepaalde situatie.
Als de taal zich ontwikkelt begint die kluit de vorm van woorden aan te nemen.
Er is een grammaticale structuur nodig en tegelijkertijd beweegt het zich naar een meer uitgesproken betekenis, maar niet noodzakelijkerwijze naar een betekenis voor volwassenen.
Als een kind zegt ‘pak’ kan dat betekenen ‘til me op’ zowel als ‘zet me neer’ of ‘geef me de kroes melk’.

Taal wordt in werkelijkheid van een geheel naar onderdelen geleerd.
We gebruiken eerst gehele uitdrukkingen in bekende situaties. Later zien we de onderdelen en ontwikkelen we die.
We beginnen te experimenteren met de onderlinge verbanden en de betekenis ervan voor het geheel. Het geheel is steeds meer dan de som van de onderdelen en kan slechts geleerd worden binnen het totaal van taalgebruik.

De regels voor taaluitingen ontstaan vanuit de vroege ‘holofrasische’ eenheden.
‘Ik pakken’ ‘Ik oppakte mijn lego’ ‘Ikke ook ikke ook’.
De mate waarin de kinderen deze fouten maken geeft hun groei aan.
Als ze hun eigen regels beginnen vast te stellen en te gebruiken kunnen we veel van ze leren, speciaal als ze zich vrij voelen om te experimenteren.
Kinderen behoeden voor het maken van fouten is een zekere weg om ze onzeker te maken en ze in hun ontwikkeling te remmen.
Of we het nu hebben over het leren herkennen van gedrukte taal als beginnende lezertjes, het lezen van de tv-gids, of het bestuderen van een onderzoeksverslag op de middelbare school, de met elkaar samenhangende delen of ‘vaardigheden’ kunnen niet zonder het geheel aan ervaringen in een bepaalde periode.

Je kunt geen brieven leren schrijven door eerst de aanhef en de formele afsluiting aan te leren. Het is zinloos als het niet gebeurt vanuit de noodzaak een echte brief te schrijven waarmee je met iemand wilt communiceren of waarmee je informatie wilt opvragen, iemand ergens voor wilt bedanken, een uitnodiging wilt sturen aan een vriendje voor een feestje dat echt gehouden wordt.
Als we taallessen gemakkelijk willen houden moeten we leerlingen helpen om vanuit een geheel naar de delen te komen.

Leren wat je bedoelt
Halliday legt uit dat er een onlosmakelijk verband is tussen bedoeling en taalontwikkeling:
Het kind leert er te zijn en dingen te doen, om te handelen en te communiceren op een betekenisvolle manier. Het leert een systeem van betekenisvol gedrag; met andere woorden, het leert een semantisch systeem. Een deel van deze betekenisvolle activiteit is talig. Echter, niets vindt geïsoleerd plaats; er is altijd een sociale context. Dus de inhoud van een uiting is de betekenis die er is ten opzichte van een bepaalde functie, van datgene dat het kind de taal voor hem laat doen. Het is een semantische daad die uitgelegd kan worden in relatie tot het geheel van semantische mogelijkheden, het geheel aan bedoelingen waar een kind op een bepaald moment over kan beschikken.

Lege taal
Scholen isoleren taal vaak van hun betekenisvol gebruik.
Daarmee veranderen ze taal in non-taal.
Slechts de sociale context van taal heeft een betekenis voor de leerling en alleen in een dergelijke context is taal gemakkelijk te leren. Vanaf het allereerste begin is taal in het begrip van een kind verbonden aan gevoelens.
Als we er nonsens van maken is het moeilijk op te pakken.

Vertellen en lezen en schrijven
Als je iets te zeggen hebt
Mondeling taalgebruik doet zich voor bij vertellen. Vertellen betrekt niet alleen de tekst (het daarmee verbonden praten zelf) maar ook de mensen die praten en luisteren, hun doelen, bedoelingen en hun sociale relaties erbij.
Het betrekt de context van de situatie - de fysieke setting, de culturele en sociale beperkingen, de emoties van de deelnemers. De keuze voor het opnemen zal afhangen van al die karakteristieken van het vertellen. De deelnemers aan een gesprek merken of hun bedoelingen overkomen en kunnen hun deelname, inclusief hun taal, voortdurend aanpassen om goed over te komen.
De vertelrondes in de kring vertonen heel duidelijk een dergelijke karakteristiek. Daarvoor is het noodzakelijk die gesprekken op werkelijke ervaringen te richten en er geen leergesprekken van te maken.

Als je iets te zeggen hebt maar er is geen luisteraar in de buurt
Geschreven taal komt voor bij lezen en schrijven. Al de karakteristieken zoals bij vertellen zijn van toepassing, met één uitzondering, de spreker en de luisteraar zijn niet gelijktijdig, steeds wisselend van rol, aanwezig.
De schrijver moet zich de lezer kunnen voorstellen, de lezer de schrijver. Hoewel er steeds de een of andere samenhang is zullen lezen en schrijven de fysieke context, die gesprekken hebben, missen. Daarom moeten geschreven teksten aanwijzingen bevatten die dat voorstellingsvermogen mogelijk maken.
Bij het bespreken van de teksten voordat ze gedrukt worden en het herschrijven ervan speelt dat laatste een belangrijke rol: staat er wat je bedoelt en kan iemand anders voor zich zien wat er in de tekst staat?
Het is een goede gedachte om veel en vaak de kinderen met hun zelfgedrukte boekjes naar de andere groepen te sturen. Als ze hun boekje presenteren zullen ze ervaren hoe dat bij andere kinderen, die niet in de vertelkring aanwezig waren, ontvangen wordt.
Omdat de reeks: vertellen, schrijven, drukken en verspreiden dicht bij elkaar ligt is het effect van communicatie met gedrukte taal direct en effectief.

Meer dan eens is beschreven hoe kinderen hun eigen taal al pratend ontwikkelen. Ze beginnen hun omgang met gedrukte taal lang voor dat ze naar school gaan te ontwikkelen. Op een zeer jonge leeftijd, krijgen kinderen te maken met boeken die volwassenen voorlezen en er zijn vele andere vormen van gedrukte taal in hun omgeving. Optimale taalontwikkeling vindt plaats in een rijke omgeving met geschreven en gedrukte taal.


Carol Edelsky zegt dat scholen de verbinding tussen authentieke taal en natuurlijk vertellen, lezen en schrijven verbreken. Ze veranderen taal in een abstractie en vernietigen die daarmee.
Door taal los te maken van de context zal het moeilijk zijn die te leren. Het is niet verbazingwekkend dat een succesvol taalvormingsprogramma aan de meest essentiële voorwaarden voor authentiek vertellen, lezen en schrijven voldoet.

Twee krachten: één naar buiten- en één naar binnen gericht
Een natuurlijk evenwicht in de hoofden van kinderen
Fysici spreken over de centrifugale kracht die er voor zorgt dat iets van het centrum weg beweegt, en over het tegenovergestelde centripetale kracht, zoals zwaartekracht die juist naar het centrum gericht is.
Een satelliet in de ruimte te brengen is een zaak van deze twee krachten met elkaar in evenwicht te brengen.
Dit is een aardige metafoor voor de krachten die de taal van de kinderen vormgeven. De creatieve kracht binnen in een kind noodzaakt het een taal uit te vinden en het gebruik en de grenzen ervan steeds uit te breiden.
Buiten de kinderen duwt de gemeenschap de taal terug naar het middelpunt van de gemeenschappelijke taal en de gemeenschappelijke betekenis ervan.
Als de creatieve krachten ongecontroleerd zouden zijn, zou de individuele taal in een sociale communicatie niet werkzaam zijn. Maar de behoefte van kinderen om te verstaan en verstaan te worden dwingt hen tot gevoeligheid voor het gemeenschappelijke en om zich te voegen naar de normen van het gemeenschappelijke dialect.

Nogmaals: scholen kunnen het proces waarbij voor de kinderen een echte taal in een zingevende context geplaatst is ondersteunen.
Maar ze kunnen kortsluiting veroorzaken als ze de sociale normen zonder samenhang onderwijzen.

Taal in school en daarbuiten
Taalontwikkeling is in werkelijkheid hetzelfde of het nu binnen of buiten de school plaatsvindt. Alles wat taal leren buiten school eenvoudig maakt zal het ook binnen school doen. Dat geldt evenzeer voor de moeilijkheden. Goede taalprogramma's zijn gebaseerd op het begrijpen van een natuurlijke taalontwikkeling.

De school maakt taal mogelijk als de lessen vertellen, lezen en schrijven authentiek zijn, als de leerkracht deskundig is op deze vorm van taalontwikkeling en in staat is de groei te begeleiden.
Natuurlijk zijn er speciale taalfuncties op school die verband houden met het eigen karakter van de groep leerlingen. De gerichtheid op steeds uitgebreidere en abstracte gebieden van de menselijke kennis.
Scholen hebben hun eigen manieren om te vertellen, te lezen en te schrijven.
Toch blijven de basisprincipes van het menselijk vermogen om te leren dezelfde. Taalontwikkeling en leren door taal zal opbloeien als de school zich richt op datgene wat taal leren gemakkelijk maakt.

Praten of schrijven, wat het beste uitkomt
Geschreven en gesproken taal zijn twee parallel lopende processen. Als je geletterd bent betekent dat soms dat schrijven een betere manier is om een bepaald doel te bereiken dan praten.

Je kunt met je zus in een andere stad schrijven of bellen. De tweede manier is soms duurder en er blijft geen verslag van over.
Geschreven taal heeft al de karakteristieken van gesproken taal: symbolen en systeem gebruikt in de context van betekenisvol taalgebruik.
Het is verleidelijk, en mensen hebben dat gedaan, om geschreven taal niet als taal zelf te beschouwen maar als gecodeerde vervanger van gesproken taal.
Dat is ongelukkig om een aantal redenen.
Het voert ons, op school, naar de veronderstelling dat je lezen en schrijven op een andere manier moet leren dan praten en luisteren. Je zou zelfs kunnen veronderstellen dat kinderen moeilijkheden hebben met geletterd worden.
De meeste mensen leren eerder praten dan lezen en schrijven, en het helpt wel als je het zo doet.
Maar dove mensen kunnen beginnen met lezen en schrijven.
En bij het leren van een tweede taal hebben veel mensen meer behoefte aan, en mogelijkheden om, die taal te lezen in plaats van te spreken. In dat geval zal lezen de eerste van de vier processen zijn die ze ontwikkelen. Eenvoudigweg leren ze wat ze het meest nodig hebben.
Geschreven taal is niet het eenvoudigweg vastleggen van gesproken taal. Vergelijk het maar eens met een Tv-gids.
Omdat schrijven tweedimensionaal is kan een hoop informatie bijvoorbeeld in tabellen gegeven worden. Daarenboven is het gemakkelijk een bepaald gedeelte van de informatie die je nodig hebt er meteen uit te pikken.

Geschreven taal heeft verschillende belangrijke functies in een geletterde samenleving

*Gedrukte taal in de omgeving geeft informatie in de vorm van straatnaambordjes, adressen, namen van winkels, richtingaanwijzers en geboden: geen poep op de stoep.

*Beroepshalve gedrukte taal , lezen en schrijven dat je in je werk nodig hebt. Schoolgaande kinderen hebben het beroep student, maar ze gebruiken ook geschreven taal als ze volwassen beroepen spelen.

*Informatieve gedrukte taal
wordt gebruikt om informatie op te slaan , te organiseren en terug te vinden. Het kan heel complex zijn, zoals in een telefoonboek, maar ook mooi opgemaakt zoals in een advertentie.

*Gedrukte taal voor ontspanning, lezen en schrijven in onze vrije tijd: fictie en non-fictie die met onze hobby's en speciale belangstelling te maken hebben.

*Rituele gedrukte taal is geschreven taal die veel godsdiensten gebruiken. Het zijn vaak teksten in een oude taal die niet altijd begrepen wordt door de deelnemers.

Waarom leren mensen schrijven? Ze hebben het nodig!
Hoe leren ze het? Op de zelfde manier als ze leren spreken, door zinvolle taal die ze echt nodig hebben te gebruiken. Soms hebben kinderen er moeite mee. Dat is niet omdat het moeilijker is of op een andere manier dan praten geleerd moet worden. Het is moeilijk omdat we het op school moeilijk gemaakt hebben door te proberen het gemakkelijk te maken.

Er bestaan minstens 12 eenvoudige manieren om leren lezen moeilijk te maken.
Al die manieren zijn ontworpen om de lesstof gemakkelijk te maken door die in stukjes te breken.
Door gedrukte taal van doelmatigheid te isoleren en de vaardigheden buiten de context aan te leren, door je te richten op een stuk geschreven tekst als doel op zichzelf, is die opdracht voor sommige kinderen moeilijker en soms onmogelijk geworden.
Er is een manier om te kijken wat de kinderen doen en ze daarbij te helpen.
Kinderen proberen gedrukte taal te begrijpen.
Een manier om ze daarbij te helpen is op school een rijke omgeving van gedrukte taal aan te bieden, met een leerkracht erbij die op een verstandige manier de kinderen helpt geletterd te worden, die het laat gebeuren.


Dit is een hoofdstuk uit:
Taalvorming & Whole Language, een vergelijkende beschrijving door Henk van Faassen op basis van What's Whole in Whole Language? door Kenneth Goodman, universiteit van Arizona

meer over Whole Language