De
vaardigheden sluiten aan op de kerndoelen zoals die voor mondelinge
en schriftelijke taalvaardigheid door het ministerie van OCW
zijn vastgesteld.
Onderbouw
Gemeenschappelijk:
Kinderen leren zich op elkaar te richten.
Durf; belangstelling: Ze
durven te vertellen in de kring en ontwikkelen belangstelling
voor elkaars verhalen.
Belang verhaal: Ze gaan
het belang van een verhaal onderkennen.
Vastleggen: Ze kunnen een
verhaal vastleggen in schrift of in een taaltekening.
'Lezen': Ze kunnen een bijgeschreven
tekst terug 'lezen'.
Woordenschat:
Ze bouwen een eigen woordenschat op.
Plezier: Ze ontwikkelen
plezier in het omgaan met taal.
Middenbouw
Behalve de bovengenoemde vaardigheden:
Overgang: De kinderen leren
de overgang van gesproken naar geschreven tekst te maken
Scheiding: Ze ervaren dat
de scheiding tussen vertellen en schrijven verdwijnt.
Woordenschat: Ze ontwikkelen
een eigen woordenschat op een ervaringsgerichte manier.
Bewust: Ze gaan bewust met
ervaringen om.
Schrijven: Ze ondervinden
geen belemmering hoe je een woord moet schrijven.
Taalgevoel: Ze ontwikkelen
taalgevoel.
Plezier: Ze vinden het plezierig
om met taal om te gaan.
Klank:
Ze maken zich de klanken van woorden eigen.
Beeldend: Ze kunnen beeldend
vertellen en schrijven alsof je een plaatje voor je ziet.
Uitgebreid: Ze leren over
een onderwerp meer te vertellen dan het voor de hand liggende.
Precies: Ze vervangen woorden
door een preciezere formulering.
Doorvragen:
Ze leren door te vragen om een tekst van een ander kind
helder te krijgen.
Zintuigen:
Ze ontwikkelen hun zintuiglijke waarneming.
Ervaringen: Ze vinden het
plezierig om over eigen ervaringen te vertellen en te schrijven.
Bovenbouw
Behalve wat er in de onder- en middenbouw geleerd is:
Zinvol: Kinderen leren zinvol
met vertel- en schrijfactiviteiten om te gaan.
Verschil: Ze kunnen het
verschil tussen taalvorming en taaltechniek herkennen en waarderen.
Denken:
Ze gaan eerst denken en dan schrijven.
Herschrijven: Ze gaan een
tekst voor een tweede keer lezen en dan veranderen.
Associatie: Ze leren op
een associatieve manier te denken.
Stadia: Ze leren om in stadia
van de ervaring te denken.
Woordenschat: Ze bouwen
een zinvolle woordenschat op.
Begrijpen: Ze herkennen
betekenissen; begrijpend lezen en schrijven.
Vertellen / voorlezen: Ze
horen het verschil tussen het vertellen van ervaringen en het
voorlezen van tekst.
Synoniemen: Ze kunnen synoniemen
opsporen.
Vorm en stijl: Ze schrijven
aan regels gebonden teksten als opstap naar vorm- en stijlontwikkeling.
Verbeelding: Ze ontwikkelen
hun verbeeldingsvermogen.
Verbeteren: Ze kunnen een
tekst beter maken aan de hand van vragen van een ander.
Vorm: Ze leren op welk moment
je je verhaal laat beginnen.
Begrip en aandacht: Ze krijgen
belangstelling voor een tekst van een ander.
Schrijfvormen: Ze ontwikkelen
meerdere schrijfvormen.
Dialoog:
Ze kunnen een tekst omzetten in een dialoog.
Stijl:
Ze herschrijven teksten in een andere stijlvorm.
Tekstbeschouwing: Ze herkennen
voorbeelden uit boeken en betrekken die op een eigen ervaring.
Selecteren: Ze selecteren
teksten op zelf vastgestelde criteria.
Plezier: Ze hebben boven
alles plezier in het omgaan met taal.
Het
gesprek
Aan bod: De kinderen laten
anderen kinderen aan bod laten komen.
Onderwerp: Ze blijven bij
een gespreksonderwerp.
Inzicht: Ze kunnen omgaan
met verschillen van inzicht.
Overleggen: Ze overleggen
zonder anderen te storen.
Veiligheid: Ze leren elkaar
niet onderdrukken of het woord ontnemen.
Beredeneren: Ze argumenteren,
redenen voor iets aangeven.
Doorvragen: Ze vragen door
naar iets dat ze niet goed begrijpen.
Interactie: Ze gebruiken
de kring als een samenwerkingsvorm.
Luisteren
Aandacht: Aandacht voor
anderen, ook als die moeite hebben met intonatie, volume en
tekstbegrip.
Categorieën: Ze kunnen
categorieën herkennen en benoemen.
Vergelijken: Ze vergelijken
wat ze horen met eigen ervaringen.
Lezen
en voorlezen
Natuurlijk: Ze ontwikkelen
een natuurlijke manier van voorlezen.
Ordenen: Ze kunnen informatie
ordenen, bijv. nieuwe informatie over een bekend onderwerp.
Onderscheiden: Ze kunnen
ervaringsteksten scheiden van informatieve teksten en fictie.
Poëzie: Ze ontwikkelen
waardering voor gedichten.
Vorm en stijl: Ze herkennen
vormen en stijlen van gedichten en literaire teksten.
Smaak: Ze ontwikkelen persoonlijke
voorkeuren voor teksten en gedichten.
Inhoud: Ze herkennen motieven
van de schrijver in verhalen en gedichten en waarderen die.
Stellen
Mening: Ze ontwikkelen een
eigen mening.
Onafhankelijkheid: Ze schrijven
hun teksten onafhankelijk van waarden en normen van volwassenen.
Ordening: Ze ordenen teksten,
lijstjes en aantekeningen.
Volzinnen:
Ze gebruiken volledige zinnen.
Correspondentie: Ze leren
brieven te schrijven.
Waarneming:
Ze kunnen hun zintuiglijke waarneming verwoorden.
Planning: Ze leren werken
met een schrijfplan.
Taalbeschouwing
Inzicht: Ze krijgen zicht
in communicatievormen.
Overleggen: Ze kunnen overleg
voeren bij het veranderen van teksten op het bord.
Betekenissen: Ze krijgen
inzicht in verschillen tussen letterlijke en figuurlijke betekenissen.
Grammatica:
Ze hebben inzicht in grammaticale structuren buiten de
methodische formule.
Regels: Ze gebruiken een
goede spelling en betekenis van woorden, zinsconstructie, interpunctie,
voorzetsels, lidwoorden, hoofdletters, punten en komma's.
Begrip: Ze kunnen oorzaak
en gevolg redenaties herkennen.
Argumenten:
Ze leren beredeneren en beargumenteren.
Ironie: Ze herkennen ironisch
taalgebruik.
Dramatische
vorming
Transformatie:
Ze kunnen een eigen tekst in een spel omzetten.
Mime:
Ze kunnen met gebaren betekenissen overbrengen.
Opbouw: Ze organiseren spelsituaties.
Zelfvertrouwen: Ze ontwikkelen
plezier en durf in deze manier van overdracht.
Scenario: Ze kunnen een
spel verdelen in scènes.
Dialogen:
Ze herschrijven teksten in dialoogvorm.
Variaties: Ze bedenken varianten
op een gespeelde situatie.