startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk





 


lesontwerp
Museumlessen op de Basisschool


De essentie van museumbezoek

Beter leren kijken is van fundamenteel belang voor wat kinderen kunnen opsteken in een museum.
De beste manier van museumbezoek gaat, in mijn opvatting, uit van wat kinderen daarover schrijven en de taaltekeningen die ze daarbij maken. Ze leren op die manier verbanden te leggen tussen hun eigen teksten en tekeningen en die van professionele kunstenaars.

De essentie van Taalvorming:
Taalvorming ontwikkelt de taalvaardigheid van kinderen met behulp van middelen en uitingen van de kunsten. Uitgangspunt en doel zijn de expressieve en creatieve vermogens van kinderen. Daarnaast is de ontwikkeling van receptieve capaciteiten ten aanzien van cultuuruitingen van belang.

Hoe kunnen museumlessen er uitzien?
Als ik er van uitga dat kunst een communicatieve functie in de samenleving heeft is het niet vreemd om een museumles in de eerste plaats als een taalles te beschouwen. Het is wel een bijzondere taal die in museumcollecties gebruikt wordt. Het is dan ook taalles met een bijzondere structuur en een bijzondere opbouw.

Taal in een museum
Onze kinderen maken kennis met beeldende kunst in musea en zijn tegelijkertijd met de vorming van hun taal bezig. Dat vraagt een bijzondere aandacht voor beide activiteiten.
Het is niet vanzelfsprekend dat als kinderen op excursie naar een museum geweest zijn en daarover een verslag schrijven ze ook aan taalvorming gewerkt hebben.

De doelen van Taalvorming in een Museum

Dialoog tussen beeld en taal
Doel: een affectieve ontwikkeling bij kinderen gericht op herkennen en gebruiken van beeldende taal.
Een tekening is een tekening en een tekst is een tekst. Het ene is beeldende kunst, het ander letterkunst. Dat die twee meer met elkaar te maken hebben dan dat er in beide gevallen een potlood voor gebruikt is zullen de kinderen ontdekken.

Begrip voor kunst
Doel: herkennen en waarderen van kunstzinnige producten.
Voornamelijk je eigen beleving bij het zien van kunst is van belang.

Begrip voor taalgebruik
Doel: de kinderen leren dat taal op verschillende manieren ontstaat en gebruikt wordt.
Het taalgebruik van dichters bijvoorbeeld is anders is dan je gewend bent.

Beeldende elementen
Doel: het herkennen en gebruiken van beeldende elementen.
Vaak hoor ik leerkrachten en mijzelf zeggen: "Maak er maar een tekening bij" De kinderen gaan dan ijverig aan de slag. Het kan geen kwaad als ze daarbij in die tekening bewust gebruik maken van beeldende elementen zoals kleur, vorm, lijn, textuur, arcering en zo meer.

Woordenschatontwikkeling
Doel: uitbreiding van de woordenschat.
De kinderen verzamelen woorden die bijvoorbeeld beginnen en eindigen met 'kunst'. Kunstnier, kunstdier, kunstvos, kunstwerk, kunstgras, kunstspons, kunstvoorwerp, kunstpop, kunstfietsen. Danskunst, toverkunst, klimkunst, filmkunst, knoopkunst. In andere musea worden weer andere woorden verzameld.

Begrippen
Doel: inzicht ontwikkelen in de verschillende kunstdisciplines.
Voor museumlessen zijn begrippen als Schilderkunst, danskunst, toneelkunst, beeldende kunst, bouwkunst, schrijfkunst en letterkunst een handige kennis voor kinderen.

Verwoorden
Doel: in woorden voor anderen weergeven wat je ziet.
In plaats van de kunstkaarten aan elkaar te tonen vraag ik de kinderen met woorden over hun keuze te vertellen en een reden te geven waarom de twee kaarten een relatie met elkaar vertonen. Ze leren complete zinnen te gebruiken. Het gaat niet om een 'beschrijving' maar om een 'beschouwing'

Inspiratie opdoen
Doel: kinderen naar plekken brengen waar ze andere ervaringen opdoen dan thuis, op straat en op school.

Vragen stellen
Doel: uitwisselen van kennis en ervaringen.

Een beeld selecteren
Doel: dieper ingaan op een afbeelding door er een stukje uit te nemen.
Naar details te kijken bevordert belangstelling voor het geheel. De kinderen gebruiken een uitgesneden kadertje, een raampje, waarmee ze een stukje van de afbeelding kunnen selecteren.

Tekst selecteren
Doel: waardering ontwikkelen voor de woordkeus van anderen.
Sommige woorden van dichters en schrijvers begrijp je misschien niet meteen, kijk maar naar de zinnen die je mooi vindt. Als de kinderen zelf de tekst aanvullen verhogen ze daarmee het begrip en de waardering voor het gedicht.

Teksten bespreken en herschrijven
Doel: in een groepsproces aandacht geven aan inhoud en spelling van een tekst.
De teksten worden besproken met de hele groep. Sprekersblokjes geven aan welk kind er voor zorgt dat de voorstellen kenbaar gemaakt worden. Het is een talige vaardigheid die veel inspanning van de kinderen vraagt

Teksten vergelijken
Doel: inzicht in de verschillende manieren waarop schrijvers schrijven.

Taalbeschouwing
Doel: inzicht ontwikkelen voor de betekenis van woorden

Voorlezen
Doel:
presentatie van eigen teksten
De gemaakte teksten worden voorgelezen op de voorleesstoel. Ik moet veel aandacht besteden aan de presentatie en de verstaanbaarheid, want de teksten die de kinderen geschreven hebben zijn op zichzelf mooi en moeilijk tegelijk.

Introductie van de kunstenaars op de tentoonstelling
Doel: De kinderen een eerste overzicht te geven van museumcollectie
Een tentoonstelling is vaak per kunstenaar ingericht.

Sociale vaardigheden
Doel: ontwikkelen van het vermogen van kinderen om samen te werken.
Kijken naar kunst, lezen van gedichten, teksten zelf schrijven en die voorlezen en bespreken, het zijn allemaal activiteiten die een vermogen om te communiceren vereisen.

Er zijn een aantal basisvaardigheden nodig.


Acceptatievermogen:
Het vermogen om je in te leven in het werk van anderen en dat te accepteren ook al wijkt het vooralsnog sterk af van de waarden en normen zoals die in de groep heersen.

Vertrouwen:
Onzekerheid van de kinderen omtrent wat van ze geëist wordt ligt vaak aan de basis van storend gedrag

Efficiëntie:
Veel tijd gaat verloren bij het uitvoeren van onbenullige handelingen: een schrift dicht slaan en opbergen kost de groep soms tien minuten.

Sociale opstelling:
De groep is vaak onrustig. Er zijn veel onderlinge conflicten. Er wordt door sommige kinderen overdreven op elkaar gelet en luidruchtig over elkaar geklaagd.

Opbouw van de Museumlessen

De voorbereiding
Het is noodzakelijk om het museum en de tentoonstelling die op dat moment ingericht is van tevoren zelf te verkennen. Je doet ideeën op en je weet welke zalen het meest geschikt zijn voor je lessen.

De omvang
De museumlessen worden in drie delen gegeven. Ze beslaan per les in principe een dagdeel per week. De eerste les is de introductie die in de klas gegeven wordt. De tweede les is het museumbezoek en de derde is een afronding op school. Daarna volgt de presentatie in de vorm van een tentoonstelling met uitleg aan de andere groepen.

Les 1

Stap 1

Begrippen verzamelen
(op school)
De kinderen verzamelen woorden die met het onderwerp van de museumlessen te maken hebben.

Stap 2
Kaartspel

Een ruime collectie ansichtkaarten. De kaarten kennen twee categorieën, onderwerpen die direct met het te bezoeken museum te maken hebben, schilderijen, beeldhouwwerken en voorwerpen die de kinderen daar kunnen aantreffen. De tweede categorie zijn kaarten met algemene onderwerpen zoals dieren, landschappen, voertuigen, gebruiksvoorwerpen, mensen die ergens mee bezig zijn et cetera.

Spelregels
De kinderen zitten in de kring. Ieder kind krijgt een kartonnen onderleggertje als tafeltje met daarop drie ansichtkaarten. Iedere keer als je "doorgeven" zegt geven de kinderen één van de drie kaarten aan de linker buur.
De opdracht is dat de twee kaarten een associatieve relatie met elkaar hebben

Verwoorden
In plaats van de kaarten aan elkaar te tonen vraag je de kinderen over hun keuze te vertellen. Ze moeten daarbij complete zinnen gebruiken.

Vragen stellen
De kinderen stellen elkaar vragen naar aanleiding van de verhalen.

Stap 3
Schrijven vanuit het midden

Vraag de kinderen één regel uit het vertelde verhaal te kiezen en dat in het midden van een bladzijde van hun taalschrift te schrijven. Vervolgens schrijven ze er een tweetal regels boven en een viertal er onder. Het moet wel een aansluitend geheel worden.

Voorlezen
De kinderen lezen bij toerbeurt hun tekst voor.

Stap 4
Beelden selecteren

Deel een aantal grote, uit tijdschriften geknipte, kleurenfoto's uit. Het zijn gevarieerde onderwerpen die niet specifiek met kunst, of het onderwerp van de tentoonstelling, te maken hebben. Daarbij krijgen de kinderen een A4tje waar in het midden een venstertje van ongeveer 5 x 5 cm. uitgesneden is. Met behulp van dat 'raampje' kiezen de kinderen een stukje uit de foto. Het geselecteerde detail tekenen ze drie keer zo groot op een A4tje waarop een kader van 14 x 14 cm afgedrukt is.

Drie beeldende technieken
Geef de kinderen drie mogelijkheden om hun tekening op te bouwen: vlak, lijn en arcering. Zinnen selecteren

Stap 5
Een regel uit een gedicht

Deel een aantal gedichtenbundels uit.
Vraag de kinderen één regel uit een van de gedichten te kiezen.

Stap 6
Tekst en beeld bij elkaar

De vorige twee stappen dienden als voorbereiding op deze stap. De kinderen nemen een tekst uit hun schrift. Dat kan zijn een tekst die in stap 3 of in stap 5 geschreven is. Ze zoeken uit de fotocollectie en behulp van het 'raampje' een detail dat aansluit bij die tekst.

Beeld en tekst bij elkaar
De kinderen nemen de tekening die ze in stap 5 gemaakt hebben voor zich. In de dichtbundels zoeken ze een regel die aansluit op de tekening.

Stap 7
Voorlezen en laten zien

De kinderen lezen hun teksten voor en tonen hun tekeningen.

Stap 8
Teksten verbeteren als ze klaar zijn

De teksten worden besproken met behulp van 'sprekersblokjes'.
Ieder tafelgroepje beschouwt de tekst op de volgende drie criteria:
a) is de tekst duidelijk of moeten we er iets over vragen aan de schrijver.
b) zijn er zinnen waarbij de woorden beter in een andere volgorde kunnen?
c) zijn er woorden die je anders kunt schrijven?
De schrijver van de tekst bepaalt zelf welke veranderingen hij overneemt en welke niet.

Stap 9 Alles in het net
De teksten worden met behulp van een gelinieerd vel, dat onder het blanco vel gelegd wordt, en een zwarte 'fineliner' in het net geschreven. Dat kan meteen onder de bijbehorende tekening.

Les 2

Stap 1

Algemene introductie
(in het museum)
De kinderen krijgen uitleg in welk gebouw ze zijn, wat voor een museum het is, waar de speciale tentoonstelling over gaat. Hoe de gedragsregels in het museum zijn.
De kinderen ontvangen het materiaal dat ze in het museum nodig hebben.

Stap 2
Inleiding tot het onderwerp.

Aan de hand van de eerste kunstwerken in de eerste zaal is het mogelijk in globale zin iets over de tentoonstelling te vertellen.


Stap 3
Details verzamelen

De kinderen krijgen ieder één kaart uit het 'kunstkaartspel' (zie les 1 stap 2) In dit geval zijn het kaarten waarvan je kunt verwachten dat de kinderen een associatie met een kunstwerk in het museum kunnen maken. De opdracht is om een kunstwerk te zoeken dat past bij de kaart die je krijgt.
Op de manier waarop de kinderen in de eerste les (zie: les 1 stap 4) geleerd hebben om naar details te kijken, doen ze dat nu met de schilderijen en voorwerpen in het museum.De kinderen tekenen het detail met twee viltstiften van een willekeurige kleur.

Teksten verzamelen
In de eerste les (zie les 1 stap 5) verzamelen kinderen zinnen uit gedichtenbundels. De teksten in het museum zijn meestal technische beschrijvingen van het geëxposeerde werk. In sommige gevallen zijn er ook teksten van andere aard te vinden.
De kinderen schrijven zinnen die ze in het museum aantreffen op.

Stap 4
Uitwisselen
Zoek een rustig plekje in het museum waar de kinderen elkaar kunnen vertellen wat ze gezien hebben.

Stap 5
Op eigen gelegenheid de tentoonstelling bekijken

Nadat de kinderen even tot rust gekomen zijn en er uitgewisseld is kunnen ze op eigen gelegenheid de tentoonstelling nog een keer bekijken.

Les 3

Stap 1
Rubriceren
(weer op school)
We zitten in de kring en ik lees steeds een regel van een tekst die ze in het museum gevonden hebben.
Als alle kinderen hun tekst hebben gaan we ze rubriceren met behulp van steekwoorden.

Filosofische definities
Als er genoeg gerubriceerd is gaan we dieper op de begrippen in. De verschillen en de overeenkomsten tussen bepaalde observaties uit het museum. De kinderen geven hun eigen gevoelsmatige definities van de dingen die ze gezien hebben

Stap 2
Technisch en persoonlijk schrijven:
Ik vraag de kinderen technische dingen in regel drie te plaatsen. Daarboven zullen de kinderen een 'aanloopje' naar die technische verhandeling schrijven, maar daarna moet er ook een persoonlijke belevenis op volgen, of andersom natuurlijk. (zie les 1, stap 3)

Stap 3
Van taaltekening naar illustratie

In het museum hebben de kinderen zogenoemde taaltekeningen gemaakt. Het zijn visuele aantekeningen. Met behulp van de tijdschriftfoto's (zie les 1, stap 4) worden details aan de taaltekeningen toegevoegd.

Laatste stap:
Een tentoonstelling en een portfolio

De tekeningen en de teksten worden zorgvuldig op prikborden in een speciaal daarvoor ingericht 'schoolmuseum' opgehangen. Na verloop van tijd wordt het werk in een showmap bijeengebracht. Zo'n map bevat tevens de foto's van het museumbezoek, de toelichting van de leerkracht en dergelijke.
Aan het eind van het schooljaar, of eerder, komt het werk van de kinderen in hun individuele portfolio met alle werkstukken van het jaar.

Wat heb je bij Museumlessen nodig?

Voorbereiding en benodigde materialen

Gegevens over de te bezoeken tentoonstelling. Deze kunnen meestal van de website van het desbetreffende museum gehaald worden.

Een collectie ansichtkaarten uit het museum: reproducties van schilderijen, beeldhouwwerken en kunstvoorwerpen.

Een verzameling ansichtkaarten uit eigen bezit met verschillende onderwerpen: stadsgezichten, landschappen, voorwerpen, voertuigen, architectuur, mensen en hun bezigheden, mensen in uitheemse kledij, bloemen, dieren, sport, huishoudelijke onderwerpen, et cetera

Een verzameling kleurenfoto's geknipt uit tijdschriften. De foto's moeten minimaal 10 x 15 cm. zijn en mogen geen tekst bevatten.

Een aantal gedichtenbundels, minimaal één per tafelgroepje, liever meer exemplaren. Het is ook mogelijk een collectie gedichten te kopiëren. In dat geval moet een tafelgroepje van 5 kinderen minstens tien gedichten hebben om uit te kiezen.

Kartonnen schrijfonderleggers A4
Stevig, gekleurd, papier A4 met een daaruit gesneden venster van 5 x 5 cm.
Werkbladen A4 met kader van 14 x 14 cm.
Linieerbladen A4
Schriften
Potloden of balpennen
Fine liners
Gekleurde viltstiften
Vet krijt (of een ander beeldend materiaal naar keuze)
Pritt stiften
Getint papier om op te kopiëren (bijvoorbeeld beige of lichtgrijs)
Sprekersblokjes
Ringband met insteekmappen
Prikborden of een vrijgemaakte wand in de hal.

Henk van Faassen


Dit is een verkorte versie van het lesontwerp.
U kunt de complete tekst opvragen: archief taalvorming


naar boven

naar lesontwerpen