startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


index
taalwerkvormen


bekijk
foto's, werk

 


lesontwerp
Eekhoorns en krekels corresponderen met elkaar


De sociale structuur in de groepen 7 en 8 is niet optimaal

De kinderen zijn niet gewend open met elkaar te communiceren
Groepjes jongens onderdrukken groepjes meisjes door hun overheersend gedrag en gebrek aan respect voor elkaar.
De meisjes laten veel over hun kant gaan of sluiten zich af. Dat merken we het sterkst in de kringgesprekken, maar het valt ook in de klassikale lessen en op het schoolplein waar te nemen.
Omdat taalvorming veel, zo niet alles te maken heeft met sociale ontwikkeling van de kinderen hebben we besloten de laatste les van een reeks te gebruiken voor een uitwisseling tussen de klas van Theo en die van Lex.

'Misschien wisten zij alles'
Iedere les in deze cyclus is begonnen met een van de verhalen van Toon Tellegen over de eekhoorn en de andere dieren.
De verhalen kenmerken zich door hun gefantaseerde relaties tussen de dieren.
De kinderen moeten er aan wennen dat olifant mier vriendschappelijk op de schouder slaat, dat een karper vrolijk door een bos gaat om aan de deur van eekhoorn te kloppen.

In het verhaal van vandaag klopt olifant bij oester aan zijn schelp en vraagt of hij even binnen mag komen. Dat mag en ze maken een dansje in de schelp maar oester trapt olifant op zijn slurf en dat doet pijn. Toch vertelt olifant later aan eekhoorn hoe lekker hij met oester gedanst heeft.

Hoe zit het verhaal in elkaar?
Ik vraag de kinderen naar de 'structuur' van de eerste zin: Vroeg in de ochtend op een dag midden in de zomer liep de olifant langs het strand en zag daar de oester liggen.
Met elkaar halen we de zin uit elkaar:
1) er is een tijdstip van de dag,
2) een seizoen,
3) er zijn twee personages,
4) er is een plek
5) een gebeurtenis.

Verderop in het verhaal is er sprake van een dialoog

Ik leg de kinderen uit hoe je op een officiële manier een dialoog opschrijft.
O, ja dat weten we al. Met een dubbele punt en aanhalingstekens.

De schrijfopdracht
Ik vraag de kinderen om een lijstje te maken van plekken waar ze wel eens geweest zijn. Alles mag, behalve thuis en op school. Uit dat lijstje kiezen de kinderen een plek en beginnen hun verhaal op dezelfde manier als de fabel van 1 tot en met 5. Het gaat om een gebeurtenis die ze zelf meegemaakt hebben en een dialoog met mensen die ze kennen.

Herschrijven
Als ze klaar zijn vraag ik de kinderen de tekst nogmaals op te schrijven maar nu kies je een dierfiguur voor jezelf en de anderen die in het verhaal voorkomen . We schrijven eerst alle dieren die we uit de verhalen kennen op het bord en kiezen daaruit. Het valt niet altijd mee om in die vorm te schrijven. Je komt snel in de verleiding toch om 'ik zei:' te schrijven in plaats van 'de krekel zei:' Uiteindelijk lukt het.
Alle teksten worden nog een keer in het net geschreven en die verhalen neem ik mee naar de klas van Theo.

In de klas van Theo
De kinderen zijn terug van BeVo en aan het werk. Als ik binnenkom wordt alles opgeborgen en ik lees hetzelfde verhaal van olifant en oester voor en stel dezelfde vragen over de structuur. Het gaat veel moeizamer. Zou het ermee te maken hebben dat ik in de les inbreek?
Dan lees ik een verhaal dat in de klas van Lex geschreven is. Het gaat over mol. Meteen willen de kinderen weten wie het verhaal geschreven heeft. Ik blijf er bij dat dit het verhaal van mol is en dat het er even niet toe doet wie het geschreven heeft.
De jongens blijven er onrustig over doen.

"Pak je verhalenschrift maar" zeg ik. Dat heeft even voeten in de aarde, maar als ieder weer zit leg ik uit wat de bedoeling is.
"Het gaat erom dat er een soort vervolg op de verhalen van de kinderen uit de andere klas komt."

Ik vraag de kinderen om dat in de volgende structuur te doen:
1) je kiest voor jezelf een dierfiguur.
2) je bedenkt waar dat dier leeft
3) wat die zou zeggen als hij het andere verhaal hoort.
Het kan zijn dat er vragen bij je opkomen of dat je iets dergelijks ook meegemaakt hebt.

Ik vraag de kinderen het verhaal eerst in hun hoofd te bedenken zoals ze het zelf beleefd hebben en pas daarna de dierennamen in te vullen.

De uitwisseling
De kinderen die met hun verhaal klaar zijn gaan met mij mee naar de klas van Lex. Daar lees ik eerst de tekst van een van de kinderen van Lex voor. De kinderen van Theo volgen daarna met hun verhaal. Er wordt aandachtig geluisterd en er komt applaus voor de beide verhalen.

Dan neem ik een aantal kinderen van Lex mee naar de klas van Theo om daar hetzelfde te doen.
Jammer genoeg is er in deze groep onvoldoende rust en aandacht. Ik stuur zelfs een van hen, die storend optreedt als een verlegen meisje met een zacht stemmetje aan de beurt is, de klas uit. Ondanks alle storende gedragingen blijken er toch in beide klassen goede teksten geschreven te zijn.

Kwaliteit
Er is sprake van een verschillend niveau van de kinderen.
Dat uit zich in de kwaliteit van de teksten, maar ook, en vooral, in de kwaliteit van de sociale vaardigheden die in relatie tot de teksten merkbaar is.
Sommige kinderen schrijven technisch een goede tekst, maar dragen geen enkele eigen inhoud over. Ze zijn erop uit om grappig of stoer uit de hoek te komen.
Anderen geven op een goede manier vorm aan hun ervaringen en zijn misschien technisch iets minder goed bezig.
Toch waardeer ik die laatste groep het meest. Die zijn met iets zinvols bezig, het gaat ergens over en de taalfouten kunnen er gemakkelijk uitgehaald worden.
De kreukels in de sociale interactie van sommige kinderen zijn er moeilijker uit te halen. Toch moeten we daar ook iets op bedenken nu we merken hoe afhankelijk taalvorming en sociale vorming van elkaar zijn.

Henk van Faassen


naar boven

terug naar lesontwerpen