startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


taalwerkvormen


bekijk
foto's, werk




 


lesontwerp
Bijvoeglijke naamwoordenschat ontwikkeling

Betere bijvoeglijke naamwoorden in de verhalen van de kinderen

Een bijvoeglijk naamwoord beschrijft, of zegt iets over, bijvoorbeeld, een molen.
Het bvnw staat er voor of komt er achter: die mooie molen of die molen is mooi.
Maar je kunt een bijvoeglijk naamwoord ook gebruiken om molens met elkaar te vergelijken, zoals: De molen in het dorp waar Oma woont, is mooier dan die saaie in Amsterdam.
Dat maakt bijvoeglijke naamwoorden belangrijk voor het schrijven van ervaringsteksten.

Er bestaan van alle bijvoeglijke naamwoorden drie soorten:
De stellende trap, die beuk is oud,
de vergrotende trap, die els is ouder dan de beuk en de
overtreffende trap, die eik is de oudste boom in het bos.

Goed, we weten allemaal wel hoe het grammaticaal in elkaar zit en de kinderen zullen het wel leren.
Waar het om gaat is hoe je deze bijzondere woorden kunt gebruiken om de ervaringsteksten van de kinderen te versterken.
Kinderen gebruiken bepaalde bijvoeglijke naamwoorden, zoals mooi, lekker, lief, saai, groot, klein, enzovoort, zeer frequent. Het zijn woorden die niet veel aan de inhoud van een tekst toevoegen, niet in de laatste plaats omdat de meeste niet objectief te gebruiken zijn.
Veel zinvolle bijvoeglijke naamwoorden blijven ongebruikt.

Bijvoeglijke naamwoordenschat ontwikkeling

Het kan geen kwaad om in de taallessen, naast het benoemen van bvnmw, aandacht te besteden aan de inhoudelijke waarde het gebruiken ervan.
Bijvoorbeeld in een vertelkring:
In het geval dat de kinderen nog geen teksten geschreven hebben verzamel je op het bord alle zelfstandige naamwoorden die voorkomen in de verhalen van de kinderen die ze in de kring vertellen.

Rubriceer de lijsten:

Bijvoorbeeld een rijtje van alle woorden over kamperen.
De kinderen bedenken zo veel mogelijk bijvoeglijke naamwoorden over een bepaald onderwerp:
stinkende, kleine, lichtgewicht, tenten;
stromende, diepe, kalme, ijskoude, rivieren,
heerlijke, zoute, vieze, hotdogs,
natte, warme, klamme, opgerolde, slaapzakken,
pijnlijke, zere, grote, blaren,
stekende, lastige, zoemende, muggen.

Het is zaak om niet tevreden te zijn met één bijvoeglijk naamwoord bij elk zelfstandig naamwoord.
Als de groep er aan toe is kun je bezig gaan met de verschillende soorten bijvoeglijke naamwoorden die er zijn.

Als er al teksten geschreven zijn:
Alle kinderen strepen de zelfstandige naamwoorden in hun teksten aan.
Een selectie ervan komt op het bord.
De kinderen herschrijven vervolgens hun teksten en maken gebruik van de bijvoeglijke naamwoorden die ze samen gevonden hebben.
Dat wil dus zeggen dat sommige bvnw ook bij verschillende woorden passen.

Nieuwe woorden:

Bijvoeglijke naamwoorden die door kinderen vaak gebruik worden zoals: fijne, lekkere, mooie, lelijke, saaie, domme, komen in aanmerking voor herziening.
Voor woorden die trendgevoelig zijn zoals, vet, cool, wreed, gaaf en dergelijke, kunnen kinderen nieuwe bedenken.
Er kan een een plan gemaakt worden om die woorden in de eigen school op te nemen. Bijvoorbeeld door ze op aantrekkelijke affiches in de gangen op te hangen.
Ik heb wel eens navraag gedaan naar het ontstaan van die woorden van de straattaal. Niemand weet dat precies, maar iedereen loopt braaf achter de heersende norm aan.
Het is leuk om daar eens iets anders voor te bedenken.

Henk van Faassen

naar boven

terug naar lesontwerpen