startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


taalwerkvormen


bekijk
foto's, werk



lesontwerp
Herinneringen

Er zijn werkvormen die je zou kunnen zien als manieren om kinderen te helpen bij het naar boven halen van herinneringen

Wat mij opgevallen is dat leerkrachten vaak in een vertelronde stoppen, waarmee de kinderen dan het gevoel kunnen krijgen aan een soort kruisverhoor onderworpen te worden.
Maar kinderen antwoord laten geven op jouw vragen is wat anders dan hen aan het vertellen krijgen.
Als dat in de kring niet lukt, dan hebben wij gelukkig nog andere werkvormen tot onze beschikking om hen daartoe te verleiden.

Een voorbeeld:

Je tijd op de basisschool
Ik zit met de 32 kinderen van groep acht in de kring met de bedoeling herinneringen op te halen aan hun jaren op de basisschool. Als ze aan het eind van dit jaar van school gaan krijgen ze een boek mee met daarin hun verhalen over die herinneringen.
Ik probeer in verschillende stappen die herinneringen naar boven te halen.

1. De kinderen veranderen van plaats in de kring:
Naast mij komen de kinderen die al als peuter op de peuterspeelzaal beneden zaten.
Daarnaast de kinderen die als kleuter op school kwamen en daarna de kinderen die later kwamen omdat ze eerst op een andere school zaten. In volgorde van groep drie tot groep acht.
Het laatste kind dat is binnen gekomen zit pas een paar weken op school, maar die is er deze ochtend niet.
Steeds moeten er kinderen opstaan omdat er een ander kind op hun plaats moet zitten. Tijdens het opstaan en verzitten beginnen de verhalen, vooral die over de peuterspeelzaal.
Ik vraag wie de juf was en in welk lokaal de peuterspeelzaal toen precies was. Hetzelfde maar heel anders ingericht, zoals uit de verhalen blijkt.

2. Concreet doorvragen:
Ik vraag een jongen heel precies te beschrijven wat er toen zo anders was aan de inrichting dan nu. Op die manier help ik hem om bij zijn herinnering terug te komen.
Dan stokt het gesprek, de kinderen zitten er een beetje onderuit gezakt en afwachtend bij.

3. Een ervaring van mijzelf aan de hand van een voorwerp:
Ik laat een schoolfoto zien van toen ik een kleuter was en vertel wat ik me herinner van dat moment. Ik vraag naar momenten bij de schoolfotograaf.
Bij kinderen die op een algemene manier vertellen vraag ik door. Ik neem geen genoegen met: "je moest zo zitten en dan zei hij lachen". Ik wil weten waar de foto's gemaakt werden, wat eraan vooraf ging en hoe je die fotograaf vond.
Dat is een verhaal, dat kan ik voor me zien. Dat is een herinnering aan een gebeurtenis die is blijven hangen.

4. Vragen naar verschillende aspecten van een onderwerp:
Na de foto vraag ik naar andere herinneringen. Ik vraag naar plekken in de school waar iets gebeurde of je iets meemaakte, naar ongelukjes op het schoolplein, naar wat een juf of meester tegen je zei, naar wat je eerst niet kon of durfde en toen wel, hoe je dat geleerd had, naar werkjes die je thuis nog hebt.

5. Ik laat de kinderen een lijstje maken van herinneringen:
Ik herhaal de aspecten waar we het net over gehad hebben. Na een tijdje zie ik bij een aantal kinderen nog maar een paar dingen op hun lijstje staan. Ik vraag wie er veel dingen op zijn lijstje heeft staan en vraag die kinderen hun lijstje voor te lezen. Ik benoem de aspecten die ik daarin hoor: een activiteit in een klein groepje, wie herinnert zich ook keer dat je een activiteit in een klein groepje deed? Meteen gaan een paar kinderen schrijven. Op die manier vullen we de lijstje nog wat aan.

6. We kiezen een ding van ons lijstje om over te vertellen in een tweetalgesprek:
De verteller probeert het zo te verteller dat de luisteraar het als een plaatje voor zich ziet. Als de luisteraar geen plaatjes ziet mag hij een vraag stellen, maar alleen dan.
Tijdens de tweetalgesprekken zijn alle kinderen geanimeerd met elkaar in gesprek. Ik ben tevreden, want wat in de grote kring niet lukte, lukt nu wel.

Daarna doen we een tweetalgesprek met degene die aan de ander kant van ons zit. Die mag van ons lijstje iets kiezen waar hij of zij nieuwsgierig naar is. Het is leuk om te zien hoe de kinderen elkaars lijstjes lezen en hun keuze bepalen.
Ik merk zelf dat het spannend is om af te wachten wat de ander zal kiezen, maar ook dat het spannend is om bij de ander wat te kiezen.
Er staan trefwoorden en je weet helemaal niet wat voor verhaal daar achter steekt. Vervolgens kiezen we een van de twee verhalen om op te schrijven. Het gaat om het verhaal dat ons het meest scherp voor ogen is blijven staan.

Op het bord inventariseren we soorten beginzinnen:
Een verhaal kan beginnen met:
wanneer het was: toen ik in groep drie zat.
waar het was gebeurd: we waren in de gymzaal
wat er was gebeurd: ik was gevallen
met wie je was: ik was met mijn vriendinnen
hoe het afliep: de hele school ging naar huis
heel precies wanneer: het gebeurde in februari in groep acht
hoe je je voelde: Ik voelde me rot
wat je dacht.: ik dacht wat is er, ik ben toch ook een mens?

Bij elk voorstel vraag ik een kind een beginzin voor zijn eigen tekst te zeggen.
Op die manier vullen we meteen concreet in wat de bedoeling is.

Lucie Visch

naar boven

terug naar lesontwerpen