lesontwerp
Herinneringen

Er
zijn werkvormen die je zou kunnen zien als manieren om kinderen
te helpen bij het naar boven halen van herinneringen
Wat mij opgevallen is dat leerkrachten vaak in een vertelronde
stoppen, waarmee de kinderen dan het gevoel kunnen krijgen aan
een soort kruisverhoor onderworpen te worden.
Maar kinderen antwoord laten geven op jouw vragen is wat anders
dan hen aan het vertellen krijgen.
Als dat in de kring niet lukt, dan hebben wij gelukkig nog andere
werkvormen tot onze beschikking om hen daartoe te verleiden.
Een voorbeeld:
Je
tijd op de basisschool
Ik zit met de 32 kinderen van groep acht in de kring met de
bedoeling herinneringen op te halen aan hun jaren op de basisschool.
Als ze aan het eind van dit jaar van school gaan krijgen ze
een boek mee met daarin hun verhalen over die herinneringen.
Ik probeer in verschillende stappen die herinneringen naar boven
te halen.
1.
De kinderen veranderen van plaats in de kring:
Naast mij komen de kinderen die al als peuter op de peuterspeelzaal
beneden zaten.
Daarnaast de kinderen die als kleuter op school kwamen en daarna
de kinderen die later kwamen omdat ze eerst op een andere school
zaten. In volgorde van groep drie tot groep acht. (...)
2.
Concreet doorvragen:
Ik vraag een jongen heel precies te beschrijven wat er toen
zo anders was aan de inrichting dan nu. Op die manier help ik
hem om bij zijn herinnering terug te komen.
Dan stokt het gesprek, de kinderen zitten er een beetje onderuit
gezakt en afwachtend bij.
3.
Een ervaring van mijzelf aan de hand van een voorwerp:
Ik laat een schoolfoto zien van toen ik een kleuter was en vertel
wat ik me herinner van dat moment. Ik vraag naar momenten bij
de schoolfotograaf.
Bij kinderen die op een algemene manier vertellen vraag ik door.
Ik neem geen genoegen met: "je moest zo zitten en dan zei
hij lachen". Ik wil weten waar de foto's gemaakt werden,
wat eraan vooraf ging en hoe je die fotograaf vond. (...)
Dat is een verhaal, dat kan ik voor me zien. Dat is een herinnering
aan een gebeurtenis die is blijven hangen.
4.
Vragen naar verschillende aspecten van een onderwerp:
Na de foto vraag ik naar andere herinneringen. Ik vraag naar
plekken in de school waar iets gebeurde of je iets meemaakte,
naar ongelukjes op het schoolplein, naar wat een juf of meester
tegen je zei, naar wat je eerst niet kon of durfde en toen wel,
hoe je dat geleerd had, naar werkjes die je thuis nog hebt.
5. Ik laat de kinderen een lijstje
maken van herinneringen:
Ik herhaal de aspecten waar we het net over gehad hebben. Na
een tijdje zie ik bij een aantal kinderen nog maar een paar
dingen op hun lijstje staan. Ik vraag wie er veel dingen op
zijn lijstje heeft staan en vraag die kinderen hun lijstje voor
te lezen. Ik benoem de aspecten die ik daarin hoor: een activiteit
in een klein groepje, wie herinnert zich ook keer dat je een
activiteit in een klein groepje deed? Meteen gaan een paar kinderen
schrijven. Op die manier vullen we de lijstje nog wat aan.
6.
We kiezen een ding van ons lijstje om over te vertellen in een
tweetalgesprek:
De verteller probeert het zo te verteller dat de luisteraar
het als een plaatje voor zich ziet. Als de luisteraar geen plaatjes
ziet mag hij een vraag stellen, maar alleen dan.
Tijdens de tweetalgesprekken zijn alle kinderen geanimeerd met
elkaar in gesprek. Ik ben tevreden, want wat in de grote kring
niet lukte, lukt nu wel.(...)
Op
het bord inventariseren we soorten beginzinnen:
Een verhaal kan beginnen met:
wanneer het was: toen ik
in groep drie zat.
waar het was gebeurd: we
waren in de gymzaal
wat er was gebeurd: ik was
gevallen
met wie je was: ik was met
mijn vriendinnen
hoe het afliep: de hele
school ging naar huis
heel precies wanneer: het
gebeurde in februari in groep acht
hoe je je voelde: Ik voelde
me rot
wat je dacht.: ik dacht
wat is er, ik ben toch ook een mens?
Bij elk voorstel vraag ik een kind een beginzin voor zijn eigen
tekst te zeggen.
Op die manier vullen we meteen concreet in wat de bedoeling
is.
©
Lucie Visch,
stichting
Taalvorming Amsterdam