startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


taalwerkvormen


eerst beeld


bekijk
foto's, werk


lesontwerpen:

drie lessen "Dingen in de kring" en
drie lessen "Werken met prentenboeken" in groep 1/2

Wat zit er in die doos?


foto: Manon Baart Amsterdam

"Wat zit er in die doos?" willen de kinderen weten.
Ik vraag of ze aan de buitenkant van de doos kunnen zien wat er inzit?
Ze voelen dat de doos zwaar is en denken dat er zand in zit.
Water, dat kan niet want dat zou er uit lopen, maar zand?
Ze rammelen aan de doos. Nee zand zit er niet in want dat zou je horen. Maar wat dan wel?

Maar er is nog een doos
Die rammelt wel een beetje. De kinderen zijn verrast als blijkt dat er verschillende voorwerpen inzitten die we voor de les gaan gebruiken.


Kijkraampjes
Ik heb raampjes uitgesneden in velletjes gekleurd papier. Als je daar doorheen kijkt zie je stukjes van voorwerpen. Je ziet alleen een oor of een stukje haar van een van de kinderen. Je ziet verschillen en overeenkomsten tussen voorwerpen, hun kleuren, materialen en vormen.

Details
Deze les gaat over het kijken naar de details van voorwerpen om je heen.
Als we genoeg gekeken hebben tekenen we die details op een strookje met vier kadertjes.
Nu kunnen we een van die stukjes van voorwerpen kiezen om er een tekening in een groter kader van te maken.
De kinderen tekenen de voorwerpen samen met wat er meestal mee gedaan wordt of de plek waar het opgeborgen wordt. Er mag nu ook één kleur bij.
Meer details vormen het begin van een kort verhaal dat de kinderen een voor een vertellen en dat de juf en ik er bij schrijven.
Als er verhalen opgeschreven zijn moeten ze ook voorgelezen worden en dat doen de kinderen ook. Ik noem het voorlezen, maar eigenlijk vertellen de kinderen in de kring opnieuw wat ze eerder door mij hebben laten schrijven bij hun taaltekening.

Wat zit er in die tas?

De vorige les was er een willekeurige collectie voorwerpjes, maar nu zitten er andere dingen in een linnen tas.
De kinderen willen er meteen mee aan de gang.
Er is een duidelijke verbinding met de vorige les.
De tas rammelt ook en ze willen meteen kijken, maar dat mag nog niet.
Een voor een halen de kinderen de voorwerpen met hun ogen dicht uit de tas.
Ze houden het omhoog en vertellen wat het is.
Het blijken allemaal verschillende lepels en schepjes te zijn. Als de kinderen niet weten wat voor soort lepel het is mogen ze het aan elkaar vragen.

De eerste ronde is om de lepels te benoemen.
De volgende ronde is om te ordenen: welke twee lepels horen bij elkaar?
Dat kan zijn omdat ze ongeveer dezelfde vorm hebben of alle twee van plastic gemaakt zijn.
De kinderen tekenen een gekozen lepel met daarbij hetgeen je er zelf wel eens mee gedaan hebt als je mocht helpen met taart bakken of als je erbij was als er frietjes gebakken werden.
De verhalen schrijven we er weer bij. Een paar tekeningen worden op het copieerapparaat gelegd want die hebben we nodig om een boekje van de maken.

Welk boek zullen we nemen?
In de meeste gevallen kiest de juf of de meester het boek uit om voor te lezen. In deze lessen wil ik dat de kinderen zelf een boek uitkiezen dat ik ga voorlezen. Daarmee hebben de kinderen een soort verantwoordelijkheid voor de inhoud van de les gekregen.
Het uitkiezen is, net zoals alle andere activiteiten, een 'werkvorm'.

Een werkvorm heeft steeds stapjes.
De eerste stap is dat ik een stapel van zes boeken op tafel leg.
De tweede stap is dat vier kinderen die stapel bekijken en er in overleg met elkaar twee uitzoeken die ze aan mij terug geven. Nu zijn er vier boeken over.
De derde stap is dat twee andere kinderen van die vier er weer twee aan mij terug geven. Weer overleggen ze met elkaar en ze kiezen voornamelijk op de omslag.
De vierde stap: een ander kind kiest uit die twee boeken degene die voorgelezen zal worden. Nu mag er ook in het boek gekeken worden, hoe de plaatjes er uitzien en of er veel of weinig tekst in staat. Ik ga het boek voorlezen. Het is deze keer "Taart voor kleine beer"
De kinderen hebben het over alles wat in het boek voor komt. Ze willen graag weten wie van de dieren de oudste is. Dat komt omdat kleine beer jarig is en nergens staat hoe oud hij geworden is. De haas is de grootste op de plaatjes, dus die moet ook wel de oudste zijn.

We vertellen elkaar over het bakken van taarten
De derde ronde is een lijstje van alle soorten taarten die je zelf wel eens hebt helpen maken of helpen opeten.
We schrijven de teksten weer bij de tekeningen.
We sluiten de les af met een rondje: Welke taarten bestaan er? Ieder kind noemt er eentje en zo ontstaat een mooie rij met alle mogelijke taarten. De chocoladetaart met één aardbei in het midden wordt het meest genoemd want die staat in het boek.

Een boek met tellen en schatten
De kring begint met een vertelronde over schoenen. Dat komt omdat er een kind met een bijzonder paar nieuwe schoenen aan is. We bekijken elkaars schoenen en maken een verzameling van alle schoenen met veters, met gespen, je weet wel die dingen met zo’n pennetje, en die met klittenband dicht gaan. We kijken ook naar de verschillende kleuren.

De kinderen zijn al gewend aan het samen uitkiezen, hoewel een enkeling de keuze vanuit de zijlijn probeert te beïnvloeden.
Het wordt deze keer "Maatje spanrups" Als ik voorlees vraag ik de kinderen te schatten hoe lang de snavels of de staarten van de verschillende dieren zijn. We tellen hardop als ik met mijn vingen over de plaatjes ga. Het valt mij op dat de oudere kleuters een redelijk gevoel voor de verschillen in maat hebben.

Het lijstje dat we maken gaat over de kleinste dieren die je kent, een mugje, tot de grootste, een koe. Je moet er ook iets mee beleefd hebben. De mug die je prikte, de hond die je mocht uitlaten, de duif die bijna op je hoofd poepte, de koe die je met haar ruwe tong likte.

De structuur van de lessen
We hebben een begin gemaakt met te onderzoeken op welke manier de groep gesplitst kan worden.
Er zijn twee aspecten.

De eerste is de interactie met de hele groep. Voor taalvorming is het van belang dat de beginkring met alle kinderen gedaan wordt. Daar ontstaat de communicatie tussen de kinderen onderling en daar wordt het thema van de les voor de hele groep duidelijk.
Eventueel kan daar ook de groepsinstructie over limograferen en vormstempelen plaatsvinden.

Het tweede aspect is de individuele communicatie tussen leerkracht en kind.
Het bijschrijven bij een taaltekening is een intiem moment daarvoor moet je even rustig apart zitten. Zo rustig als in de drukke klas mogelijk is.
De andere kinderen werken in de hun bekende hoeken waarvoor relatief weinig begeleiding nodig is. Ook het limograferen en vormstempelen kan op den duur in zelfstandige groepjes gedaan worden.

Ter afsluiting van een werkochtend
De groep komt dan weer in de kring bij elkaar om naar ieders verhalen te luisteren.

Kies je voor een optimale communicatie, en dat is taalvorming nietwaar, dan heb je het als leerkracht moeilijker als je met een grote kring werkt. Het probleem is dat er meerdere niveaus in de groep voorkomen.
De nieuwkomertjes die soms nog geen woord begrijpen, de jonge kleuters en de oudste die al zo naar groep drie kunnen. Binnen die niveaus zijn dan weer de gebruikelijke subniveaus. Gedragsproblemen, concentratieproblemen, taalachterstanden en zo meer.

Een goede taalontwikkeling van alle kinderen moet voorop staan
Dat is: goed leren kijken en goed leren luisteren.
En dat leer je uitsluitend met elkaar in de hele groep. Daar leren ook de kinderen die nog geen woord Nederlands kennen dat er een uitwisseling plaats vindt. Daar merken de kinderen dat er belangstelling kan zijn voor iets wat je vertelt, iets dat meer is dan een plichtmatige maandagochtendkring.
Op een goede manier met elkaar omgaan in een kringgesprek zijn de basisvoorwaarden voor het functioneren in alle groepen.

Henk van Faassen


naar boven

terug naar lesontwerpen