startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur


bekijk
foto's, werk


lesontwerpen:
Doelen van
museumlessen

het Levende dieren
museum

Werken met
dichtbundels

Werken met
voorwerpen


AR51
Taalvorming in een Museum
achtergronden bij en doelen van de lessen op de Basisschool

Inleiding

Het is de bedoeling dat museumlessen en taalvorming op elkaar aansluiten.
Onze kinderen maken kennis met beeldende kunst in musea en zijn tegelijkertijd met de vorming van hun taal bezig. Dat vraagt een bijzondere aandacht voor beide activiteiten.
Het is niet vanzelfsprekend dat als kinderen op excursie naar een museum geweest zijn, en daarover bijvoorbeeld een verslag schrijven, ze ook aan taalvorming gewerkt hebben.
Iedere activiteit heeft een eigen doelstelling en aanpak en het is goed ons te realiseren dat die verschillende doelen niet zonder meer in één thematisch project gestopt kunnen worden.

Het maken van schilderijen en het beschouwen van kunst zijn verschillende dingen.
Het beschrijven van een schilderij is iets anders dan het weergeven van een ervaring bij het bekijken ervan.
Schrijven over wat je beleeft als je schilderijen bekijkt is weer iets anders dan zelf een tekening maken en er een tekst bij schrijven.
Lezen wat een dichter met bijzondere woorden opschrijft is iets anders dan het lezen van de ervaringsteksten die de kinderen schrijven.
Toch kunnen de kinderen dit allemaal, en in samenhang met elkaar, in dit project doen.

Als proef neem ik een groep 6 mee naar het Cobramuseum in Amstelveen waar een tentoonstelling ‘Bert en het beeld’ ingericht was.
Deze tentoonstelling bood een uitstekende gelegenheid om kinderen met beeldende kunst en letterkunst in aanraking te brengen.
De werkvormen die bij deze tentoonstelling uitgevoerd zijn staan in dit artikel uitvoerig beschreven.

Het spreekt vanzelf dat ze voor iedere andere tentoonstelling aangepast moeten worden.
De doelen zijn echter universeel.
Inmiddels zijn er lessen uitgevoerd met verschillende groepen, waaronder ook kleuters, in het van Goghmuseum en is een bezoek aan Artis als een museumbezoek beschouwd en als een taalles uitgewerkt.

De wederzijdse inspiratie van een dichter en beeldend kunstenaars biedt, zowel op het gebied van taalvorming als van beeldende vorming, talloze mogelijkheden voor het onderwijs.
Onze kinderen maken kennis met het gegeven dat verschillende kunstdisciplines niet los van elkaar hoeven te staan.
Ze zien dat beeldend kunstenaars inspiratie kunnen vinden in het werk van een dichter of een schrijver en dat deze op zijn beurt geďnspireerd kan raken door hun beeldende kunst.
De kinderen kunnen ervaren hoe het is om zelf geďnspireerd te raken door het werk van een ander en woorden om te zetten in beelden of beelden om te zetten in woorden.
Met dit uitgangspunt in mijn hoofd heb ik een drietal lessen ontworpen.

Laat ik eens een aantal activiteiten nemen en kijken met welke doelen ze ingezet kunnen worden

Les 1:
De voorbereiding op schoo
l

Alle lessen zullen in principe in drie delen uitgevoerd worden: een voorbereidende les waarin het thema van de tentoonstelling aan bod komt en waarin de kinderen bekend gemaakt worden met de werkvormen die ze in het museum zullen uitvoeren.
De tweede les is dat de eigenlijke excursie en de aanpak van de reis naar het museum. De derde les dient om het werk van de kinderen af te ronden en er een presentatie van te maken.

Introductie
Wie weet wat we vandaag gaan doen
“Het gaat om taal, om teksten maken en voorlezen”.
“Onze teksten verbeteren?”,
“De meester leest voor en dan schrijven wij een tekst.”


Gaat dat altijd zo?
Vandaag lees ik in ieder geval niet voor. Het zal vandaag over kunst gaan.

Een woordveld maken.
Op het bord schrijf ik het woord ‘kunst’ en vraag aan de kinderen of ze woorden kennen met kunst erin.
Er komen veel woorden die beginnen met kunst. Kunstnier, kunstdier, kunstvos, kunstwerk, kunstgras, kunstspons, kunstvoorwerp, kunstpop, kunstfietsen.
En woorden met kunst erachter. Danskunst, toverkunst, klimkunst, filmkunst, knoopkunst. Stukje bij beetje raakt het bord vol.
De begrippen waar mijn museumlessen aan gekoppeld zijn omcirkel ik met een kleur. Schilderkunst, danskunst, toneelkunst, beeldende kunst, bouwkunst, schrijfkunst en letterkunst staan er allemaal bij.

Woordenschatontwikkeling
Doel: uitbreiding van een effectieve woordenschat met betrekking tot kunst.

De kinderen verzamelen samen woorden die beginnen en eindigen met kunst.
Het is een cognitieve groepsontwikkeling gericht op het verzamelen van woordkennis.
Dat blijkt als de kinderen het woord ‘muziek’ niet noemen.
De betekenissen van de woorden moeten er nog aan toegevoegd worden. De woorden krijgen een plaatsje in een bordrij aan de muur, de betekenissen komen in het vervolg van het project aan de beurt

Begrippen
Doel: inzicht ontwikkelen in de verschillende kunstdisciplines.

Voor museumlessen zijn begrippen als schilderkunst, danskunst, toneelkunst, beeldende kunst, bouwkunst, schrijfkunst en letterkunst een handige kennis voor kinderen.
Als de woorden aan hun woordenschat toegevoegd zijn kunnen we de verschillen en overeenkomsten tussen de verschijningsvormen van kunst bespreken en laten zien.

Begrip voor kunst

Doel: herkennen en waarderen van kunstzinnige producten.

Voornamelijk je eigen beleving bij het zien van kunst is van belang.
De affectieve beleving vindt plaats als de kinderen het werk beschouwen en er een eigen associatie en betekenis aan hechten.
Er is sprake van een cognitieve ontwikkeling als de nadruk te veel ligt op kennis over de kunstenaar en de manier waarop hij een schilderij gemaakt heeft.

Een kunstkaartspel spelen.
Een aantal kunstkaarten met afbeeldingen van schilderijen en beeldhouwwerken.
Andere kaarten laten foto’s van mensen zien die kunst bedrijven, op een viool spelen, Spaans dansen of zingen. Weer andere hebben verschillende onderwerpen, zoals dieren, landschappen, oude voertuigen et cetera.

We zitten in de kring.
De spelregels zijn: Ieder krijgt een kartonnen onderlegger als ‘tafeltje’ op zijn knieën en daarop drie verschillende kaarten.
Iedere keer als ik “doorgeven” zeg, geef je één van de drie kaarten aan je linker buur.
Het is de bedoeling dat je aan het eind van het spel twee kaarten overhoudt waarvan er één duidelijk ‘kunst’ is en de andere ‘geen kunst’.
Maar, de twee kaarten moeten wel iets met elkaar te maken hebben.

Met woorden afbeeldingen laten zien
In plaats van de kaarten aan elkaar te tonen vraag ik de kinderen met woorden hun keuze te beschrijven en een reden te geven waarom de twee kaarten bij elkaar horen.
Ik vraag ze complete zinnen te gebruiken en dat lukt bij de meeste kinderen wonderwel.
Ik beperk hun zinnen eveneens.
Ze mogen bijvoorbeeld hun zin niet beginnen met “op deze kaart zie ik…”
Dat zou een ‘beschrijving’ opleveren. Ik hoop op een ‘beschouwing’, net een nuance verschil.

Door het stellen van mijn stimulerende vragen komen de kinderen tot hun reflecties op de gekozen kaarten.
Er worden over en weer vragen gesteld. Ik wil weten wat ‘troep’ is, als kinderen hun kaart zo omschrijven. “Wat vinden jullie nu eigenlijk echt Kunst?”, vraag ik.
“Als je het kan ophangen”, roepen de kinderen.
“Als het licht geeft” zegt een van hen, denkend aan kunstlicht. Iets is kunst als het ingewikkeld is, “kunst ziet er als nep uit” en “Je kan er naar kijken, in een museum”.

Ja, je kunt naar kunst kijken, behalve dan naar onzichtbare kunst, voor muziek gebruik je je oren. “je kunt ook kijken naar een muzikant”
Twee niveaus in de vragen vallen mij op.
Er zijn kinderen die alles willen weten over mijn verzameling en hoe lang ik er mee bezig geweest ben.
Een niveau hoger liggen de vragen over de inhoud van de afbeeldingen.
De verbazing over de voorstellingen.

Verwoorden
Doel: in woorden voor anderen weergeven wat je ziet.

In plaats van de afbeeldingen aan elkaar te tonen vraag ik woorden te gebruiken.
De kinderen leren hun taal zo te gebruiken dat er voor de anderen ‘een plaatje’ verschijnt.
Ze onderbouwen hun keuze en geven een reden voor de relatie tussen de twee afbeeldingen Ze leren complete zinnen te gebruiken.
De kinderen herkennen het verschil tussen een ‘beschrijving’ en een ‘beschouwing’
Het verschil tussen iets beschrijven, dat voornamelijk kennis vereist, en beschouwen, dat een beroep doet op een strikt persoonlijk, affectief, vermogen.

Vragen stellen
Doel: uitwisselen van kennis en ervaringen.

Er zijn twee niveaus in de vragen die kinderen stellen. Vragen die gericht zijn op algemene, en niet ter zake doende, ‘weetjes’. Dit soort vragen blijft in wezen aan de oppervlakte.
De kinderen denken niet door. Ik ben er niet tevreden mee.
Een niveau hoger liggen de vragen over de inhoud van de afbeeldingen.
De verbazing over de voorstellingen en de nieuwsgierigheid naar de betekenis ervan.
Op een dergelijk moment is er sprake van een wezenlijke belangstelling en ontwikkeling.

De dialoog tussen beeld en taal
Doel: een affectieve ontwikkeling bij kinderen gericht op herkennen en gebruiken van beeldende taal.

Een tekening is een tekening en een tekst is een tekst.
Het ene is beeldende kunst, het ander letterkunst.
Dat die twee meer met elkaar te maken hebben dan dat er in beide gevallen een potlood voor gebruikt is zullen de kinderen ontdekken.
Een tekening is een beeld van een gebeurtenis zonder woorden.
Een tekst probeert met woorden een beeld te geven van een ervaring. Ze sluiten op elkaar aan en gaan een dialoog met elkaar aan.
Dergelijke dialogen voeren de kinderen bewust en onbewust met het werk van de kunstenaars in het museum en doen dat ook met elkaar.
Wat de kinderen moeten leren is dat er in teksten soms vreemde beelden opgeroepen worden.
Beelden die voor sommige kinderen wat ongerijmd zijn, bijvoorbeeld zoals Bert Schierbeek die gebruikt. “bevlogen ligt zij rood van verlangen en streelt haar vogel” of “er valt een zwart hoofd uit de regen”

Hoe een tekening ontstaat.
Ik geef de kinderen een drietal mogelijkheden om hun tekening op te bouwen. Het gebruik van kleurvlakken met kleurstiften, van lijnen met fineliners en van arceringen met beiden. De voorbeelden van de drie beeldende elementen heb ik afzonderlijk op het bord getekend aan de hand van een van de ansichtkaarten.

Beeldende elementen

Doel: het herkennen en gebruiken van beeldende elementen.

Vaak hoor ik leerkrachten en mijzelf zeggen: “Maak er maar een tekening bij”
De kinderen gaan dan ijverig aan de slag. Het kan geen kwaad als ze daarbij in die tekening bewust gebruik maken van bepaalde beeldende elementen zoals kleur, vorm, lijn, textuur, arcering en zo meer.
Dat valt onder de cognitieve ontwikkeling van de kinderen die aan de affectieve ontwikkeling vooraf gaat.
Ik bied bewust slechts drie beeldende elementen aan. In het museum kan ik aan de hand van de schilderijen en tekeningen er meer aanwijzen.

Een stukje uit een foto opzoeken en dat tekenen
. (voor de helft van de groep)
Ik deel een aantal foto’s uit die ik uit tijdschriften geknipt heb.
Het zijn algemene onderwerpen, ik gebruik onderwerpen zoals: dieren, mensen in actie, waaronder muzikanten en sportmensen, gebruiksvoorwerpen, landschappen waarin iets gebeurt, gebouwen en verkeerssituaties, en geen afbeeldingen van kunstproducten.

De kinderen krijgen een uitgesneden kadertje. Ik gebruik daar voor een stevig vel gekleurd A4. In het midden snij ik een vierkant gat van 4 x 4 cm., een raampje, waarmee ze een stukje van de afbeelding kunnen selecteren.
Het geselecteerde detail tekenen ze in het groot op een blad papier, binnen een groter kader op vellen wit A4 bij voorkeur 120 grs. met een vooraf gekopieerd kader van 13,5 x 11,5 cm op de bovenste helft van het blad.
De drie beeldende technieken, vlak, lijn en arcering, moeten ze daarbij kunnen toepassen.

Een regel opzoeken en dan verder schrijven. (voor de andere helft van de groep)
Ik deel een aantal teksten en gedichten van Bert Schierbeek. Ik heb hiervoor een aantal kleurkopieën van originelen gemaakt.uit en vraag de kinderen daaruit één regel in hun schrift over te schrijven.
Sommige woorden van Bert begrijp je misschien niet meteen, kijk maar naar de zinnen die je mooi vindt.
Daarna schrijven de kinderen zelf een regel boven die van Schierbeek en een tweetal er onder.
Opmerkelijk is echter dat vreemde zinsconstructies die dat oplevert ook in het werk van Schierbeek voorkomen.

Begrip voor taalgebruik
Doel: de kinderen leren dat taal op verschillende manieren ontstaat en gebruikt wordt.

Het taalgebruik van dichters bijvoorbeeld is anders is dan je gewend bent.
De betekenis van dichterswoorden is niet zoals van woorden die je dagelijks gebruikt.
Het kost inspanning om achter de bedoelingen van de schrijver te komen, maar als dat gelukt is opent zich mogelijk een boeiende wereld voor de kinderen.
Het is een affectieve ontwikkeling die een meerwaarde heeft in het taalonderwijs aan- en de sociale ontwikkeling van de kinderen.

Voorlezen.
De gemaakte teksten worden voorgelezen op de voorleesstoel.
Ik moet veel aandacht besteden aan de presentatie en de verstaanbaarheid.
De teksten die de kinderen geschreven hebben zijn op zichzelf mooi en moeilijk tegelijk.
Ik bewaak de activiteit zorgvuldig om te voorkomen dat de kinderen elkaar uitlachen bij het voorlezen van een vreemde tekst van een dichter.

Voorlezen
Doel: presentatie van eigen teksten

De voorleesstoel, meestal de draaistoel van de leerkracht, is een speciale plek.
Als ze op die stoel zitten krijgen de kinderen speciale aandacht. De kinderen werken aan hun presentatie en de verstaanbaarheid.
Voor de presentatie zijn bepaalde technieken in te zetten, zoals lichaamshouding, tempo van spreken, contact met de toehoorders hebben.
Vooral moeten de kinderen het belang van hun eigen tekst beseffen.
De teksten zijn mooi en moeilijk tegelijk.

De kinderen lezen te snel voor en spreken te zacht. Sommige kinderen spreken binnensmonds of raffelen de laatste zin onverstaanbaar af. Jongens die over het algemeen over een stoer stemgebruik beschikken kijken op de voorleesstoel steels naar hun vrienden en schieten in een zenuwachtig lachje.
Het heeft allemaal te maken met zelfvertrouwen.
Is de tekst wel goed?
Zullen de andere kinderen met niet uitlachen?
Wat vindt de meester er van?
De onduidelijk voorgelezen teksten worden een tweede keer, nu rustig en met meer volume, voorgelezen.
Een enkele tekst lees ik zelf voor om de voorleestechniek te ondersteunen.

Bij de tekening schrijven.
De kinderen die de tekening van het detail uit een foto klaar hebben schrijven een toepasselijke regel in hun schrift.
Een toepasselijke regel is iets anders dan een onderschrift. Het is een regel die in je hoofd komt als je naar je tekening kijkt, een associatieve regel. Vervolgens, net zoals de andere kinderen dat deden met die ene regel van Bert Schierbeek, schrijven ze er een regel boven en twee er onder.
Een bijzondere volgorde, eerst regel twee en dan pas regel 1, 3 en 4. Het zorgt wel voor een bijzondere tekst.

Een tekening bij een tekst.
De kinderen die aan de tekst van Bert Schierbeek gewerkt hebben maken daarbij een tekening. Ik stel nadrukkelijk vast dat ze in de tekening dingen kunnen verwerken die niet in de tekst al te lezen zijn.

Bijschrijven, verder schrijven
Doel: met woorden een beeld dat gemaakt is completeren

Bijschrijven in de zin van verder schrijven is een associatiewerkvorm waarbij kinderen bij een tekening verder schrijven.
De kinderen leren het verschil tussen een onderschrift, waarin meestal zakelijke gegevens over die afbeelding gegeven worden en beeldende tekst.
Een beeldende tekst heeft dezelfde bedoeling als de tekening zelf, namelijk het overdragen van een ervaring. Daarvoor is het nodig dat de kinderen nagaan welke aspecten nog niet in de tekening zitten. Daar schrijf je over.
De tekst van een ander, in dit geval een dichter, lokt een eigen ervaring uit.
Verder schrijven moet net zoals associëren beschermd worden tegen de normerende opmerkingen van anderen.

De tweede voorleesronde.

Nu is alles klaar. Iedereen heeft een tekening gemaakt en een tekst in het klad geschreven. Die worden voorgelezen.
Het is nodig om nadrukkelijk om stilte bij het voorlezen te vragen. Het is ook weer nodig om de voorleestechniek van de kinderen te ondersteunen.
Voor de leerkracht is het zaak om de teksten te beschermen.
Dat kan door ze te waarderen en niet te snel in te gaan op onverwachte zinsconstructies van de kinderen. Dat doe je toch ook niet met de teksten van Schierbeek.

Zijn de teksten zo goed?
Er is in de eerste les geen tijd om de teksten te bespreken.
Ik wil graag met de kinderen de teksten herschrijven of dat in de hele groep doen.
Een dergelijk proces sluit beter aan bij de doelstellingen van taalvorming en ervaringsgericht werken.
De leerkracht en ik hechten er waarde aan dat de teksten foutloos in het net onder de tekeningen komen. Dat moet in een aparte les gebeuren.

We gaan volgende week naar het museum.
“Welke musea kennen jullie al?.” “Het Tropenmuseum, het Rijksmuseum, New Metropolis, het Museumplein.”
Ik heb het over de verschillen tussen een klaslokaal, een speelplaats en een museum.
Ik vertel dat we in een museum niet zo veel herrie kunnen maken als vanmorgen in de klas.
We zouden er wel eens uitgezet kunnen worden.

Inspiratie opdoen
Doel: kinderen naar plekken brengen waar ze andere ervaringen opdoen dan thuis, op straat en op school.

In het klaslokaal en de school worden regelmatig inspirerende plekken ingericht.
Die plekken zijn meestal verbonden met een bepaalde leersituatie.
Onze kinderen gaan meestal niet uit eigen beweging naar een museum of theater.
Omdat taalvorming gebaseerd is op een brede zinvolle ontwikkeling moeten de plekken waar ze ervaringen op kunnen doen uitgebreid worden.

Les 2:
De museumles

Als ik bij mijn ontbijt naar de radio luister hoor ik dat er ruzie in de gemeenteraad van Amsterdam is.
Een van de leden van de raad verwijt een ander iets en citeert op luide toon Bert Schierbeek: ‘Een pond veren vliegt alleen als er een vogel in zit’ .
Hetzelfde citaat wordt gebruikt in een protestactie van orkesten en theatergezelschappen tegen het kunstbeleid.
Het moet wel een bijzondere Bert-dag worden vandaag.

Een begin in de klas, teksten vergelijken.
De kinderen zijn gewend om, als ze de klas binnen komen, meteen hun leesboek te pakken en stil te gaan lezen.
Als ik mijn les begin, vraag ik de kinderen hun boek nog even op tafel te laten.
Ik lees willekeurige fragmenten voor uit het boek “Een grote dorst” van Bert Schierbeek en vraag de kinderen een passage uit hun boek voor te lezen dat erop aansluit.

Gewichtsloos
alles wat komt en opkomt
een drijvende boot
de adem van de wind
het onzichtbare blauw
en geen richting
soms blijft alles wit
(…)
het is het uur
een lugubere nacht
de explosie gaat verder(…)

vlug oversteken, zegt moeder
geen brood met rozen
maar: een ingebouwd uurwerk


In een praatronde associëren de kinderen op beelden in de tekst, of gewoon op een enkel woord. We kunnen naar aanleiding van die associaties dieper ingaan op de beelden en begrippen die de dichter gebruikt en waar de kinderen aan denken als ze die horen.
“Wat is het verschil tussen ‘komt’ en ‘opkomt’?”
“Nou” zeggen de kinderen,
“er komt visite” De zon en de maan “komen op”
En een toneelspeler? Die komt op van links of van rechts. “Of van achter het toneel, maar nooit van voren”
“Ruikt de adem van de wind hetzelfde als je eigen adem”,
“Wie eet er wel eens rozen op zijn brood?”
“Is een klok en een uurwerk hetzelfde ding?

Op weg naar het museum.
De leerkracht heeft met de kinderen alle mogelijke dingen besproken die te maken hebben met reizen in de sneltram, het overstappen, de strippenkaarten.
We gaan in drie groepjes van 7 kinderen. Ik krijg een stapeltje strippenkaarten met de naam van de kinderen erop. We stappen over op station RAI. In Amstelveen wandelen we door het winkelcentrum en langs een bouwput naar het museum.
Het gaat gesmeerd, de kinderen zijn verwachtingsvol en onder de indruk.
De jassen in de garderobe en we betreden het prachtige Cobramuseum.

Introductie van de tentoonstelling.
Het eerste paneel dat we tegenkomen toont een grote foto van Bert Schierbeek, druk aan het typen op zijn IBM met verwisselbare bolletjes.
In deze tijd van tekstverwerkers is een dergelijke machine iets dat de kinderen niet kennen. Ik vertel hoe dat gaat met zo’n schrijfmachine.

We lezen de tekst.
een nieuwe schriftuur
hoor ik iemand roepen
het zal nog wel even duren
voor het leesbaar wordt


We komen bij Bert en Karel Appel.

“Het dier heeft een mens getekend”
zo gebeurt het dan dat wij soms laat in de avond thuis komen nadat wij de gehele dag aan de rotswand hebben gestaan om daarop te tekenen”


Het werk van Karel Appel spreekt de kinderen aan.
Zo tekenen ze zelf ook wel eens.
We praten over de tekst, hoe holbewoners tekenden met verbrande takjes en hoe kinderen met stiften werken.
Ik vraag naar de beeldende elementen die we eerder gebruikt hebben. Vorm, kleur, lijn en arcering. Zie je wel Karel gebruikt ze ook.

Dan het reuzen schilderij, waar woorden op geschreven staan die bedolven zijn onder druipende verflagen.
We speuren naar de woorden en vinden er een paar terug.
Zo bekijken we samen een aantal kunstwerken.
We lezen de teksten over het riet dat maar geen hengel wilde worden.
De teksten op smalle emaillen borden die gaan over de vraatzucht van de stenen stad en de vreugden en vechtlust tussen mensen.

De kinderen gaan op een bijzondere manier met de teksten en de beelden om.
Ik zie ze met hun gedachten erin verdwijnen. Af en toe een verbaasde of ongelovige blik als de onderwerpen te ver weg zweven en de begrippen te abstract voor ze zijn.

Introductie van de kunstenaars
Doel: De kinderen een eerste overzicht te geven van museumcollectie

De eerste ronde is oriënterend met korte toelichting. Hoe Bert Schierbeek op zijn IBM met verwisselbare bolletjes werkt. Het werk van Karel Appel vergeleken met hun eigen tekeningen. We praten over de tekst, en hoe holbewoners tekenden, hoe kinderen met stiften werken.
Ik vraag de beeldende elementen vorm, kleur, lijn en arcering aan te wijzen.
Het is zinvol dat meteen bij het begin van de rondleiding die vergelijking met hun eigen werk te maken is.
Mijn opzet is om zoveel mogelijk de kinderen te laten reflecteren op wat ze zien en zo weinig mogelijk mijn eigen gevoelens en kennis over de werkstukken naar voren te schuiven.
Als ik stimulerende vragen stel komen de kinderen dichter bij het werk van de kunstenaars en de dichter.
Af en toe laat ik een van de kinderen opstaan en een tekst voorlezen. De bespreking ervan laat ik dan via die leerling lopen.

Bert en de kinderen.
De kinderen werken in tweetallen bij het werk van Bert en een van de kunstenaars.
Om heen en weer geren te voorkomen wijs ik hun werkplekken aan. Zo verdeel ik de groep over de tentoonstelling. Ik deel onderleggers, stiften en papier met kaders uit.

De schilderijen.
Het ene kind krijgt een uitgesneden kadertje om doorheen te kijken en drie willekeurige kleuren viltstift.
De opdracht is: kijk door het ‘raampje’ naar het kunstwerk en teken het detail met de drie kleuren die je hebt. Het hoeft niet precies hetzelfde te worden als op het schilderij en ook de kleuren mogen anders zijn.
Schrijf boven je tekening jouw naam en die van de kunstenaar.
Salora en Karel Appel, Sefanja en Pierre van Soest, Madelon en Ger Lataster en zo voort.

Een beeld selecteren.
Doel: dieper ingaan op een afbeelding door er een stukje uit te nemen.

Naar details te kijken bevordert belangstelling voor het geheel.
De kinderen gebruiken een uitgesneden kadertje, een raampje, waarmee ze een stukje van de afbeelding kunnen selecteren. Het geselecteerde detail tekenen ze in het groot op een blad papier, binnen een groter kader.
Deze handelingen leveren een intensieve confrontatie op. De tekeningen die de kinderen maken lijken abstract maar zijn allemaal aan een concreet gegeven ontleend.
Na de oefening met foto’s die niet perse kunst zijn is de overstap naar het kijken naar details van schilderijen gemakkelijk te maken.

De gedichten. Het andere kind krijgt de opdracht om uit de teksten van Bert Schierbeek één regel over te schrijven en daarna zelf een regel ervoor en twee erna te bedenken.
Zo hebben we het eerder op school al gedaan.
Onder die tekst komt te staan: Bert en je eigen naam. Bert en Mouna, Bert en Sabah. Enthousiast gaan de kinderen aan de slag. Er komen prachtige teksten tevoorschijn.
De cursieve zin is weer van Schierbeek.

De zee raakte het zand aan.
Soms het zand
Tegen de zon
En soms de regen
Tegen het zand.

Bert en Sefanja

Je bent stil als de ruimte
De stilte is een gat in het geluid
Daar boven maken ze veel herrie
Dat vinden we niet leuk

Bert en Chaima

Een vlag wordt opgehesen in de ruimte
Een vlag bevlogen door de kleur en de ruimte
In de ruimte worden er ook vlaggen afgehesen
Voor de ruimte is het denk ik
Wel heel indrukwekkend

Bert en Madelon

Tekst selecteren.

Doel: waardering ontwikkelen voor de woordkeus van anderen.

De woorden van Bert Schierbeek zijn die van een dichter.
Zulke woorden gebruiken de kinderen in het algemeen niet, of in een andere betekenis.
Het is van belang dat kinderen hun taal verrijken met dergelijke woorden.
Ze leren oog te krijgen voor de schoonheid van een taal en het plezier dat dit oplevert.
Als de kinderen naar details in de tekst zoeken, doen ze hetzelfde als ze door een raampje naar een schilderij kijken. Van een detail naar de hele tekst is dan een eenvoudige stap die ze kunnen maken en die ze niet zetten als ze de gehele tekst in zich op moeten nemen.
Als ze zelf die tekst aanvullen verhogen ze daarmee het begrip en de waardering voor het hele gedicht.
De kinderen zullen vertrouwd raken met ongebruikelijke zinsconstructies zoals die in gedichten voorkomen. Door hun eigen naam aan die van Bert Schierbeek te verbinden realiseren de kinderen zich dat het een gezamenlijk werkstuk is.

Teksten vergelijken
Doel: inzicht in de verschillende manieren waarop schrijvers schrijven.

De kinderen leggen teksten uit hun eigen vertrouwde leesboeken naast die van een dichter. De kinderen associëren op beelden in de tekst, of gewoon op een enkel woord.

Bij een tekst een schilderij zoeken.
Na een pauze voor eten en drinken gaan we verder.
De kinderen die eerst teksten geschreven hebben zoeken een kunstwerk dat er op aansluit. Dat hoeft niet van dezelfde kunstenaar te zijn waarbij Schierbeek zijn gedicht schreef.

Een rode vlek onder zijn oog
Is heel klein
Ik weet niet wat het is
Maar het is heel raar
Bert en Atif

Om zijn verjaardag te vieren
Dan slinger ik de hele godvergeten wereld
door elkaar
Weg heen en weer
door elkaar.

Bert en Rachel

Een meisje had
Tegen de zee
Gezegd hola dom dola
Omdat ze er zin in had

Bert en Wita

Het riet wordt nooit mooi
Dit riet
Is gek, lelijk en stom
Het riet er naast is veel mooier
Dan het andere

Bert en Angelique

Wie klaar is gaat op eigen gelegenheid de tentoonstelling bekijken.
We zijn twee en een half uur in het museum en de concentratie bij de kinderen neemt af.
We gaan maar weer eens naar school terug.

Les 3:
De afsluiting

De volgende dag zijn de foto’s die de leerkracht maakte al klaar.
De kinderen bekijken ze en geven enthousiast commentaar en zijn teleurgesteld als ze er zelf niet op staan.
Een excursie is pas echt gebeurd als er een foto van je gemaakt is, vinden ze.
Maar vandaag willen we de werkstukken gaan verzorgen.

De bijzondere woorden van Bert
Tijdens ons bezoek aan het Cobramuseum zijn we weer veel vreemde woorden en zinnen van Schierbeek tegen gekomen.
Die woorden, dat is kunst dat begrijpen de kinderen nu wel. Maar wat betekenen die woorden?
We gaan maar eens op zoek
. Ik lees verder voor uit ‘Een grote dorst’.
Bij ieder woord dat de aandacht trekt steken kinderen hun vinger op: ‘Een verwarde groep’ Verward is als allemaal touwtjes door elkaar zitten vinden de kinderen. “Zijn jullie zelf wel eens verward” vraag ik. Ja hoor: “als we rommel in de klas maken”
‘geheimzinnig weefsel’ Wat is weefsel eigenlijk? ‘Ik weef’.
Oh ja zegt een van de kinderen. “Ik heb thuis zo’n ding (weefgetouwtje) waar je draden doorheen moet doen en dan heen en weer gaat” Net zo iets als breien.
“Is er weefsel in de klas?” vraag ik.
De kinderen kijken rond maar kunnen niets vinden. “Hebben jullie iets aan dat geweven is?” ja dat hebben ze allemaal.
De leerkracht heeft een los geweven sjaaltje om en demonstreert hoe weven precies in zijn werk gaat. Zo dat weten we nu.
We praten verder over de foto’s van de mannen die op de maan geland zijn.

Denny wil ook graag een tekst voorlezen. Hij kiest een tekst met grote letters uit ‘Bert en het beeld’ Die staat naast een tekening van Willem Snitker

zei hij:
zet je een zwarte neger
voor je deur gewapend
met een pistool die
alleen binnenlaat die
zijn bezoek heeft aan-
gekondigd –
alle rijken hebben
zo’n neger


Denny heeft de tekst duidelijk uitgekozen omdat er een pistool in voorkomt.
Ik vraag de kinderen om wat voor een man het gaat. Ze denken dat het een inbreker of een moordenaar is.
Wat is 'aankondigen' ? Aankondigen is als je vertelt wie op het toneel een lied gaat zingen. Wat is een ‘zwarte neger’? De kinderen wijzen aan wie er in de klas zwart en iets minder zwart zijn.
Ik vraag om het te vertellen en niet aan te wijzen.
“Een neger komt uit een land waar alle mensen zwart zijn” “Ik kom uit Suriname en daar zijn wij zwart, maar er zijn ook wat witte mensen”
Ik vraag opnieuw wat die man daar met zijn pistool bij de deur doet. Nu denken de kinderen dat het waarschijnlijk een bewaker is. Rijke mensen betalen bewakers.

Taalbeschouwing
Doel: inzicht ontwikkelen voor de betekenis van woorden

Wat is het verschil tussen ‘komt’ en ‘opkomt’?
“Is een klok en een uurwerk hetzelfde ding?
Bij ieder woord dat de aandacht trekt steken kinderen hun vinger op: ‘Een verwarde groep’ Verward is als allemaal touwtjes door elkaar zitten.
Ik betrek het op henzelf. “Zijn jullie zelf wel eens verward?” ‘Geheimzinnig weefsel’ Wat is weefsel eigenlijk en waarom is het geheimzinnig?
De kinderen denken aan plaksel, iets dat kleeft. Dat komt door de uitgang ‘sel’.
Anderen spreken over zweven. Die gaan op de klank van het woord af.
Ik vraag aan de kinderen om ‘sel’ van het woord af te knippen en er ‘ik’ voor te zetten. ‘Ik weef’. Net zo iets als breien.
Iedere keer als Bert Schierbeek het over ‘ruimte’ heeft, denken de kinderen meteen aan ‘ruimtevaart’.
Wat is 'aankondigen' ? . Aankondigen is als je vertelt wie op het toneel een lied gaat zingen. Wat is een ‘zwarte neger’? Ik vraag om het te vertellen en niet aan te wijzen.
Hoewel taalbeschouwing vaak gaat over taalkennis, gebruik ik deze activiteit om dieper in te gaan op wat kinderen aan beelden zien als ze een onbekende tekst lezen.

De teksten en de sprekers.
We schrijven een tweetal teksten op het bord. In ieder tafelgroepje heeft een kind een gekleurd ‘sprekersblokje’ We gaan op zoek naar twee dingen:
1) welke zinnen of woorden zijn onduidelijk.
2) welke woorden kun je anders schrijven.

We bespreken de teksten per groepje. De ‘spreker’ verzamelt de voorgestelde veranderingen. Die komen met een kleur tussen de tekst op bord te staan.
Samenwerken in de groepjes is voor deze kinderen nog wel erg moeilijk en er ontstaan hier en daar ruzieachtige discussies over een d of een t.
De meeste kinderen roepen meteen iets als ze iets in de tekst ontdekken, in plaats dat ze dat via de ‘spreker’ doen.
Daar moet nog op geoefend worden.
Stukje bij beetje wordt een tekst herschreven.
De voorstellen worden aan de schrijfster voorgelegd en die beslist wat ze in haar tekst verandert.
Ik deel kopieën van een aantal teksten uit en wat we net op het bord gedaan hebben doen we nu per tafelgroepje.

Teksten bespreken en herschrijven.
Doel: in een groepsproces aandacht geven aan inhoud en spelling van een tekst.

De teksten worden besproken met de hele groep. Sprekersblokjes geven aan welk kind er voor zorgt dat de voorstellen kenbaar gemaakt worden. Het is een talige vaardigheid die veel inspanning van de kinderen vraagt.
Samenwerken in de groepjes is voor veel kinderen nog wel erg moeilijk. (zie ook bij: sociale vaardigheden)
Dit proces sluit aan bij de doelstellingen van taalvorming en ontwikkelingsgericht werken. Teksten moeten foutloos afgedrukt worden, maar het nakijken van de schriften op spellingfouten door de leerkracht draagt daaraan minder bij omdat een zingevende uitwisseling met de kinderen ontbreekt.
De kinderen krijgen een gerichte opdracht:
Welke zinnen of woorden zijn onduidelijk.
Begrijpt iedereen wat er bedoeld is?
Zie je het voor je?
Welke woorden kun je anders schrijven?

Dat is iets anders dan te zien hoe spelfouten met een rood potlood onderstreept zijn.
Stukje bij beetje wordt een tekst herschreven. De voorstellen worden aan de maker van de tekst voorgelegd en die beslist wat er veranderd wordt.

De teksten in het net.
Als alle teksten herschreven zijn kunnen ze met een fineliner in het net geschreven worden. We kopiëren de teksten op een crčmekleurig stevig vel papier. De tekening snijden we uit en plakken die op het blad binnen het kader. Het begin van een tentoonstelling op school.

“Het dier heeft een mens getekend”
schrijft Bert Schierbeek bij het werk van Karel Appel.

Het dier dat ons gedurende ons leven geregeld in slaap is verschenen
en ons naar wij dachten zijn omvang en beweging duidelijk in onze geest had gegrift


Sociale vaardigheden
Doel: ontwikkelen van het vermogen van kinderen om samen te werken.

Kijken naar kunst, lezen van gedichten, teksten zelf schrijven en die voorlezen en bespreken, het zijn allemaal activiteiten die een vermogen om te communiceren vereisen.
Er zijn een aantal basisvaardigheden voor nodig.

Acceptatievermogen:
Het vermogen om je in te leven in het werk van anderen en dat te accepteren ook al wijkt het vooralsnog sterk af van de waarden en normen zoals die in de groep heersen.
Een norm in de groep is: “we wijzen alles af wat vreemd is” . In veel gevallen volgt afwijzend gedrag dat zich in alle mogelijke vormen manifesteert.
Er moeten dan gesprekken gevoerd worden om erachter te komen hoe het komt dat iets vreemd, anders, is.

Vertrouwen:
Onzekerheid van de kinderen omtrent wat van ze geëist wordt ligt vaak aan de basis van storend gedrag. De kinderen zijn gewend in een zeer strak patroon hun schoolopdrachten uit te voeren. Als er dan situaties zijn waarin ze eigen oplossingen kunnen toepassen raken sommige kinderen in paniek en stellen bijvoorbeeld herhaald vragen over de kleinste en niet ter zake doende details.
Ze missen het vertrouwen in hun eigen kunnen.

Efficiëntie:
Veel tijd gaat verloren bij het uitvoeren van onbenullige handelingen: een schrift dicht slaan en opbergen kost de groep soms tien minuten.
Het duurt zeer lang voordat de aandacht van alle kinderen op eenzelfde punt gericht is omdat ze individueel met andere dingen bezig zijn.

Sociale opstelling:
Een groep is vaak onrustig. Er zijn veel onderlinge conflicten.
Er wordt door sommige kinderen overdreven op elkaar gelet en luidruchtig over elkaar geklaagd. Als de juf de klas uit is springen de kinderen uit de band.

Henk van Faassen

met dank aan de kinderen en de leerkrachten van Basisschool de Avonturijn