startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur

taalwerkvormen


bekijk
foto's, werk

 


lesontwerp
Taalvorming in groep 5
Dingetjes en ringetjes


Herinnering
Welke herinnering hebben de kinderen aan de vorige keer dat ze met taaldrukken bezig waren?
Halima weet zich nog te herinneren dat Henk "zo'n dingetje" bij zich had.
Wat is "een dingetje?".
Verschillende antwoorden borrelen op: iets kleins, je kan er wat mee doen, een ringetje, een vlekje etc.
Dit is een vorm van werken waarbij het thema voor de les bij de kinderen vandaan komt. Ik ben er gerust op dat er altijd zulke momenten zullen zijn.

Omschrijven
Het blijkt dus handig te zijn als “dat dingetje” echt een naam krijgt. Halima begint met “het dingetje” te omschrijven: het was plat, stoffig en je moest eroverheen rollen. Zo gaat het natuurlijk vaak; je kunt een woord wel omschrijven maar wat is de naam voor “dat ding”? “Je bedoelt vast rubberdruk”, “Oh ja!”
Ik laat eerst de groep naar omschrijvingen zoeken. Pas in laatste instantie geef ik, als dat nodig is, de juiste omschrijving.

Vragen stellen
Er worden nog wat herinneringen opgehaald en we gaan over op de vraag of iedereen weet wat taaldrukken is. Merel is de enige die dat niet weet en ze mag een vraag stellen. Deze opdracht komt niet helemaal duidelijk op Merel over en Henk betrekt de hele klas erbij. Ieder groepje mag hem nu een vraag stellen.
De vragen zijn algemeen (hoe heet dat beest op die poster?) en persoonlijk (hoe oud bent u?).
Bij het beantwoorden van de vragen is steeds weer “de ervaringenreeks” (heb je zčlf wel eens zoiets meegemaakt?) erg belangrijk.
Behalve over de les willen ze ook mijn leeftijd, schoenmaat en dergelijke weten.
Bij de schoenmaat vertel ik dat ik al sinds ik twintig ben dezelfde maat heb.
Hoe zit het met jullie schoenmaten? Groeien je voeten nog een tijdje?
Het stellen van algemene en persoonlijke vragen kunnen wat mij betreft best, ondanks het feit dat de kinderen zich niet aan mijn oorspronkelijke opdracht houden. Als kinderen een zijweg inslaan blijken daar altijd weer onderwerpen voor ervaringsteksten in te zitten.


Gelijkenis en de juiste naam
We gaan met het "echte" werk beginnen: ik teken een cirkel op het bord en vraag "wat is dit?".
De antwoorden stromen toe: rondje, voetbal, omelet etcetera.
Vandaag blijkt het een kring te zijn. "Wat is het verschil tussen een rondje en een kring" Layla geeft vlot een antwoord: "In een kring zit iets, bijvoorbeeld kinderen of kralen".

Op alfabet in de kring
De bedoeling van de bordcirkel is vandaag om in een kring op alfabet van de eerste letter van je naam te gaan zitten. Er wordt in de groep gesproken over de plaats van de letters in het alfabet. Maar ook welke kant gaat de kring op?
Ik vraag de kinderen deze activiteit te doen zonder te praten. Dat is heel wat voor ze.

Van belang is dat kinderen in een rommelig proces een structuur proberen aan te brengen. Je ziet dan vaak dat bepaalde kinderen dingen gaan regelen voor elkaar, anderen wachten tot er een plekje voor ze over schiet. Dit is een zinvolle manier van leren samenwerken.

Een ding met dezelfde eerste letter als je naam
Als kennismaking mag iedere leerling zijn of haar naam zeggen.
De volgende opdracht is "bedenk een dingetje dat met dezelfde letter begint als je naam". Met het dingetje moet je wel iets kunnen doen, het bijvoorbeeld kunnen pakken.
De kinderen mogen elkaar al fluisterend helpen. Het opvallende hierbij is dat de kinderen vaak voor een ander meer weten dan voor zichzelf. Zo ontstaat er een rij met namen en bijbehorende dingetjes.
Deze rij komt in de loop van de week op alfabet groot in de klas te hangen.
Daarmee zullen vanzelf in de loop der weken spellingactiviteiten ontstaan.

Behalve voorwerpen worden ook sneeuw, fruit, meel, goud en dergelijke genoemd. Op een later tijdstip zouden best meer van zulke woorden gezocht kunnen worden. Dieren mogen niet, want daar kun je meestal niets mee doen, hoewel...

Een zinnetje met de naam van het voorwerp erin
Als ieder kind zijn of haar eigen dingetje heeft genoemd is het nu echt tijd voor “de taalles”.
De kinderen krijgen de opdracht bij hun “dingetje” een zinnetje in hun hoofd te bedenken.
Net als met het bedenken van een woord in de vorige opdracht geeft Henk met zijn eigen naam een voorbeeld om de kinderen op gang te helpen.
Er mag niet dwars door elkaar gekletst worden en luisteren naar elkaar is erg belangrijk.
Opvallend is dat veel zinnen met ”ik” beginnen.

Het moet wel iets zijn dat je er zelf mee gedaan hebt, dus niet: ‘met een pen kun je schrijven’, maar ‘ik heb gisteren sommen in mijn schrift geschreven’.
De moeilijke woorden komen op het bord.
Over wat moeilijk of makkelijk is, bestaat duidelijk verschil van mening.
Er wordt in ieder geval even aandacht besteed aan het woord “wasmachine”.

Lijstje met associaties
Maak een lijstje van dingen waar je aan denkt als je iets met jouw voorwerp doet.
Dat kunnen ook dingen zijn die op het eerste gezicht er niets mee te maken hebben. Henk geeft een voorbeeld met “hangertje” en Alison doet dat met haar “appel”.
Gianni begrijpt het nog niet helemaal en iedereen helpt hem spontaan.

Woordvelden
Voor kinderen die helemaal niet uit hun associaties komen maken we met elkaar op het bord een woordveld.

Nadat er 5 minuten gewerkt is vragen we wie er hulp nodig heeft.
Danny is de eerste die zijn vinger opsteekt. Danny is erg slim en weet en kan veel, maar bij opdrachten heeft hij iedere keer extra uitleg en/of hulp nodig.
Hij laat zich ook vaak heel snel afleiden en kan zich nog niet lang concentreren. Verbaal kan hij daarentegen opvallend geestig en ad rem uit de hoek komen.

Het leuke bij deze woordveldopdracht is dat er ook veel associatieve woorden en Marokkaanse woorden uitkomen. Bijvoorbeeld het Arabische waspoedermerk ‘Tide’ naast ‘Ariel’.
Sommige woorden vormen ware doordenkertjes zoals Wesley die bij het woord “wasmachine” het woord “varken “ bedenkt.
Wesley is erg met spreekwoorden bezig in deze periode en verklaart zachtjes: “we zullen dat varkentje eens even wassen”.

Spreekwoorden zijn voor kinderen van deze leeftijd meestal nog geen dagelijkse kost en zeker voor buitenlandse kinderen nog vaak onbegrijpelijk. In de loop van het jaar groeit bij velen de belangstelling hier wel voor.
Wesley is half van Ghanese afkomst en het is mij al eerder opgevallen dat Ghanese kinderen spreekwoorden bijzonder interessant vinden.
Zou het te maken kunnen hebben met de Engelse taal die ze meestal goed spreken en die boordevol prachtige uitdrukkingen en gezegdes zit?

Kiezen, een tweetalgesprek en dan schrijven
De volgende opdracht is een woord uit te zoeken uit je eigen lijstje waar je zčlf wel eens iets mee hebt gedaan.
Over dit woord wordt in tweetallen de eigen ervaring verteld.

Van belang is dat de een rustig luistert terwijl de ander vertelt.
Het verhaal wordt vervolgens in het schrift geschreven.
Na verloop van tijd mag Jennifer haar tekst op het bord zetten. Jennifer is een nieuwe leerling. en duidelijk wat onzeker ze moet echt even op haar gemak gesteld worden.
Ondertussen worden potloden en schrijfonderleggers opgehaald.

Een overweging is dat de tekst in plaats door het kind zelf, door de leerkracht op geschreven wordt. In zo’n geval is de tekst voor de groep beter te lezen.
Toch ben ik er wel voor dat de kinderen elkaars handschriften proberen te lezen.
In dat geval kan vaker met gekopieerde teksten gewerkt worden.


Voorlezen
Na het speelkwartier is het tijd voor het voorlezen van de eigen teksten. Dit is vaak nog erg moeilijk en vooral onduidelijk. Er is geen gelegenheid voor commentaar en uiteraard komen niet alle teksten aan bod.

Tekst bespreken
Voor het tekstbespreken staan drie aandachtspunten op het bord.
- Snappen we wat er staat?
- Woorden die anders kunnen
- Punten, komma's, hoofdletters

De teksten worden in de 6 afzonderlijke groepjes besproken waarbij ieder groepje een eigen spreker aanwijst die het besprokene voor de klas te berde brengt.
De spreker is herkenbaar aan een gekleurd blok voor zijn neus.
Per groepje wordt in 6 verschillende kleuren de mogelijke wijzigingen genoteerd.

Er is weer eens de onduidelijkheid over het verschil tussen een regel en een zin.
Moet er nu achter iedere regel een punt en wanneer zet je dan een hoofdletter?

Het eerste groepje blijkt niet het enige te zijn met dit probleem en in de loop van het jaar zullen we hier regelmatig mee aan het werk gaan.

Opvallend is de vele aandacht van de kinderen voor letters of woorden die Jennifer naar hun idee slordig of onduidelijk geschreven heeft.
Alle aandacht die naar dit onderdeel van de bordtekst uitgaat is storend en zonde van de tijd. Het maakt Jennifer ook duidelijk onzeker, terwijl het met de inhoud van de tekst niets te maken heeft.

Ik geef er dan ook de voorkeur aan voorlopig zčlf de teksten van de kinderen op het bord te schrijven zodat er zuiver aandacht is voor het verhaal.
Henk heeft overigens zelf wel goede ervaringen met het door de kinderen opschrijven van de eigen teksten en zo blijkt weer dat alles z’n voor- en nadelen heeft.

Bij het commentaar van de sprekers noteren we overigens ook eventuele foute verbeteringen.
Als een spreker aan het woord is mag niemand commentaar geven, hoogstens kan de spreker wat steun uit het eigen groepje vragen voor verduidelijking van een opmerking.
Dubbele verbeteringen komen met dubbele kleur op het bord.

Het laatste woord is aan Jennifer, wat vindt zij er zo van vindt? Zij is het ermee eens en de tekst blijft tot morgen zo op het bord.
De volgende dag schrijft ze haar tekst in het net over en krijgen de kinderen die hun tekst nog niet voorgelezen hebben daartoe de gelegenheid.


Het vervolg
We vonden het een fantastische ochtend en zijn enthousiast om door te gaan. We spreken af dat ik zelf volgende week een soortgelijke stroom op touw zal zetten en wel vanuit een open situatie.
Dat laatste roept bij mij eerlijk gezegd wel twijfels op.
In de voorbespreking een week geleden heb ik al duidelijk gemaakt het heel waardevol te vinden taalvorming en wereldoriëntatie te integreren.
De deze week door de kinderen gemaakte teksten over vakantieontdekkingen lijken mij bijvoorbeeld zeer goed bruikbaar in een nieuwe taalronde.

Zelf ben ik van mening dat dit dan zeker iets is dat bij de kinderen zelf vandaan komt en dat is toch de essentie van de zaak. Ik zal er mijn gedachten in ieder geval goed over laten gaan en kijken wat mijn eigen mogelijkheden hierin zijn.

Ik heb besloten niet zelf een nieuwe taalronde te starten doch de vorige af te maken. Met de zogenoemde “spreker” werken leek me een goede oefening om dit met alle teksten te doen. We hielden de teksten binnen de 6 groepjes en zo had iedere leerling 3 andere teksten te lezen en zijn of haar eigen tekst werd eveneens door 3 medeleerlingen gelezen. Daarna werden de teksten opnieuw geschreven met daarin de eventuele aanwijzingen van medeleerlingen verwerkt.

Deze versie heb ik bekeken, waar nodig op spellingfouten gecorrigeerd en onduidelijkheden met de individuele leerling besproken.
De netversie van de tekst werd op groen papier geschreven, geplakt op geel A4 en voorzien van een illustratie die sloeg op de tekst.

De kinderen waren er erg content mee en ik besloot het geheel in te binden met een ringbandje en een harde plastic kaft. Het uiteindelijke product zag er heel fleurig en uitnodigend uit en mijn gang naar een bijna failliete copyrette leverde in de kring genoeg op voor een nieuwe taalronde.
De kinderen laten hun boek ‘Dingetjes en ringetjes’ met veel plezier aan ouders en anderen zien.

Henk van Faassen


naar boven

terug naar lesontwerpen