lesontwerp
Vier
manieren om met een les taalvorming te beginnen

Vier
manieren
1.
De zogenoemde 'Nul-optie'
2. Beginnen met het voorlezen van een verhaal of een gedicht
3. Dingen in de kring
4. Eerst een beeld en dan pas schrijven
1.
De Nul-optie:
Je bedenkt vooraf geen thema of onderwerp.
De kinderen komen op een open manier bij elkaar in de kring.
Signalen opvangen:
Je observeert vanaf het eerste moment dat je de kinderen ziet
en registreert in gedachten wat de kinderen bezig houdt.
Praatronde in de kring:
De kinderen gaan op een zelfgekozen plek in de kring zitten.
Er ontstaat een open gesprek.
Je kan inhaken op alle gespreksonderwerpen die zich voordoen.
Je richt je aandacht op alle gebeurtenissen in de groep.
Bijvoorbeeld iets dat veranderd is in het klaslokaal,
nieuwe bezigheden, opvallende kleren etc.
Oppassen voor algemene onderwerpen zoals de komst van Sinterklaas
of de heersende Soap op tv.
Ook niet met een verborgen agenda werken en over 'pesten', 'heksen'
of 'zeehondjes' beginnen.
Analyse en keuze:
Je analyseert ter plekke en in gedachten alle open gesprekjes
en kiest daaruit een onderwerp waarvan je kunt verwachten dat
ieder kind er een ervaring mee heeft.
Vertelronde in de kring:
Er is een verschil tussen een praatronde en een vertelronde.
De praatronde is een open uitwisseling, voornamelijk bedoeld
om ieder kind de gelegenheid te geven iets te zeggen. De praatronde
is er om 'er in te komen'.
De vertelronde is toegespitst op een thema, maar kan nog alle
kanten uitgaan.
In dit stadium moet je de gesprekken begeleiden opdat ze niet
ontsporen.
Je stelt stimulerende vragen.
Ordening:
Uit de vertelronde maak je een toegespitste keuze voor de opdracht
voor het schrijven of tekenen van een lijstje. Zorg ervoor dat
het lijstje verschillende categorieën kent.
Bijvoorbeeld, mocht het over dieren gaan, vraag je naar
dieren die je kunt aaien, dieren die je bijten of prikken dan
wel dieren die je kunt opeten.
Tweetalgesprek:
Je geeft instructies voor het tweetalgesprek, wie met wie. Hoe
er uit de lijstjes gekozen wordt en welke details, zoals de
plek waar iets gebeurt, een handeling, of wie er nog meer een
rol speelt, naar voren moeten komen.
Schrijfronde:
Je kiest voor een vrije manier van teksten schrijven.
Schrijf op wat je net in het tweetal verteld hebt. Je zegt wel
dat ze maar over één onderwerp moeten schrijven.
Voorlezen:
Je kiest voor een manier van voorlezen.
Bijvoorbeeld eerst alle poezenverhalen en daarna de dieren
die opgegeten zijn.
Of je kiest er voor dat de kinderen op de voorleesstoel voor
de klas zitten, of dat ze op hun eigen plaats opstaan en voorlezen.
Herschrijven:
Er zijn een aantal manieren om een tekst te herschrijven.
Bijvoorbeeld herschrijven om teksten duidelijker te krijgen,
teksten in een andere vorm of stijl schrijven, dan wel teksten
herschrijven om te drukken of ze met de tekstverwerker te printen.
2.
Beginnen met voorlezen van een gedicht of een verhaal
Je kiest of je met een gedicht, een verhaal of een prentenboek
wilt werken.
Gedichten:
Er zijn drie mogelijkheden:
a) je kiest vooraf een gedicht
b) je kiest een gedicht dat aansluit bij de praatronde in de
kring
c) de kinderen kiezen een gedicht uit een stapel.
Als
je vooraf een gedicht kiest:
De keuze is helemaal van jezelf afhankelijk. Je kiest met het
gedicht mogelijk al een bepaald onderwerp waarop je verder wil
gaan. Oppassen voor bepaalde gedichten waar een thema, met een
belerend doel, al ingebakken is
Je keuze moet zodanig zijn dat je kunt verwachten dat alle kinderen
er aansluiting bij hebben.
Of je kiest een gedicht dat aansluit bij de praatronde in de
kring:
In dat geval zorg je ervoor dat je voldoende bundels of een
verzamelbundel zoals 'Als je goed om je heen kijkt
' bij
je hebt.
Voorwaarde is dat je de inhoud van de bundels goed kent zodat
je snel kunt kiezen.
Je leest het gedicht voor: Twee keer zelf voorlezen, eventueel
een derde keer door een van de kinderen.
Als de kinderen een gedicht kiezen:
In dat geval heb je een stapel gedichtenbundels meegebracht.
Je stelt groepjes samen waarvan een kind de 'spreker' is. Die
sprekers maken een eerste keuze door twee bundels uit te zoeken.
In hun groepje kiezen ze in overleg uit één van
die twee en vervolgens voor een gedicht.
Voorlezen:
De sprekers lezen om de beurt het gedicht twee keer voor.
Kinderen die nog niet zo vlot voorlezen vraag je om één
zin te doen. De rest van het gedicht lees je zelf voor.
Sleutelwoord:
Je schrijft een sleutelwoord uit ieder voorgelezen gedicht op
het bord. Let erop, dat het niet de titel of het overduidelijke
onderwerp van het gedicht is, maar iets waaraan de kinderen
denken als ze het gedicht beluisteren.
Kiezen:
Uit de sleutelwoorden kiezen de kinderen, via overleg met hun
sprekers, een onderwerp dat hen aanspreekt. Het gedicht dat
erbij hoort wordt nogmaals voorgelezen.
Praatronde:
Na ieder voorgelezen gedicht is er een korte praatronde. Je
stelt stimulerende vragen, maar probeer te voorkomen dat je
naar de bedoelingen van de dichter gaat vragen.
Je zorgt ervoor dat er een verbinding tussen de eigen ervaringen
van de kinderen en het gedicht ontstaat.
Analyse
en keuze:
Je analyseert ter plekke en in gedachten alle open gesprekjes
en kiest daaruit één onderwerp of thema.
Vertelronde in de kring:
De vertelronde is toegespitst op het thema dat uit het gedicht
is komen bovendrijven.
De kinderen vertellen hun eigen ervaringen, ze fantaseren niet
en komen ook niet met voorbeelden van de tv of uit boeken.
Ordening:
Uit de vertelronde maak je een toegespitste keuze voor een lijstje.
Tweetalgesprek:
Je geeft instructies voor het tweetalgesprek.
Schrijfronde:
Je kiest voor een manier van teksten schrijven die bijvoorbeeld
aan regels gebonden is. Een vorm die bij het voorgelezen gedicht
past.
Oppassen voor rijmdwang.
Voorlezen:
Je kiest voor een manier van voorlezen.
Je benadrukt dat een gedicht anders voorgelezen wordt dan een
verhaal.
Herschrijven:
Je kiest voor een bepaalde manier van herschrijven.
Bijvoorbeeld herschrijven om teksten duidelijker te krijgen,
of herschrijven op een aan regels gebonden manier zoals bij
een rondeel.
Een
verhaal uit een boek
Een vergelijkbare werkwijze volg je als je een prozatekst gekozen
hebt.
Hou er rekening mee dat er in een tekst zich vaak meer onderwerpen
aandienen en neem vooral niet het thema dat met de titel van
het boek verbonden is. Het beperkt de kinderen in hun praat-
en vertelrondes.
Kies voor een boek met korte hoofdstukken, waarbij ieder hoofdstuk
een andere invalshoek of onderwerp heeft.
Werken
met prentenboeken
Praatronde:
Je begint met een open praatronde in de waarbij je het prentenboek
al op schoot hebt.
Het is goed als de kinderen bij het begin van een les al iets
kunnen inbrengen.
Voorlezen en de plaatjes laten zien:
Je leest voor en geeft ruimte voor korte spontane reacties.
Eventueel richt je de aandacht op bepaalde details van de prenten
of van het verhaal.
Ordening:
Je maakt tijdens het voorlezen in gedachten een ordening van
de onderwerpen waar de kinderen met hun associaties op gereageerd
hebben.
Je probeert te voorkomen dat het jouw eigen visie op het verhaal
voorop staat.
Het kenmerk van een associatie is dat je niet hoeft te weten
hoe die in het hoofd van een kind ontstaan is.
Vertelronde:
Je kiest voor een thema dat is komen bovendrijven.
Als de vertelronde 'opdroogt' verander je de invalshoek of je
kiest voor een ander onderwerp.
Getekende lijstjes:
Jonge kinderen die nog niet schrijven tekenen hun lijstje op
een strookje papier waarop je hokjes gekopieerd hebt.
Je benadrukt dat het hier niet gaat om mooie tekeningen, maar
om een soort 'aan'tekeningen.
De kinderen zitten nog steeds in de kring en krijgen een onderlegger
om op hun knie te kunnen tekenen.
Tweetalgesprek:
De kinderen kiezen voor één van de onderwerpen
uit hun lijstje door de strook papier zodanig te vouwen dat
die 'aan'tekening boven is.
Ze
laten die elkaar in een tweetal zien en vertellen er om de beurt
over.
Taaltekening:
De kinderen gaan terug naar hun tafeltje. Je deelt blaadjes
uit waarop een kader gedrukt is. In dat kader tekenen de kinderen
gedetailleerd wat ze in het tweetalgesprek verteld hebben. Het
kan geen kwaad als je daarbij een startopdracht geeft.
Bijvoorbeeld: 'teken eerst hoe de plek er uitzag en dan
pas de dingen en mensen die erbij horen'.
Of je beperkt een groot thema: teken hoe je bij je moeder achter
op de fiets zat, of hoe je bij je oma in de tuin speelde'.
Je laat de tekening eerst met zwart potlood maken, waarna eventueel
kleur toegevoegd kan worden.
Bijschrijven:
Zodra de kinderen een beetje op gang zijn ga je bijschrijven.
Ieder kind vertelt het verhaal dat bij de tekening hoort. Je
stelt stimulerende vragen en schrijft een korte tekst onder
het kader.
Je leest die tekst voor en vraagt op het zo goed is.
Eventueel vraag je of het kind een belangrijk woord uit de tekst
wil overschrijven. Dat komt boven het kader.
Voorlezen:
Hoewel de kinderen nog niet allemaal kunnen voorlezen noem je
het wel zo.
Om de beurt komen ze op de 'voorleesstoel', dat is de stoel
van de juf. Je zit zelf op een kinderstoeltje ernaast om hier
en daar een woord voor te fluisteren.
De kinderen vertellen wat er onder de tekening bijgeschreven
is, of lezen het daadwerkelijk voor.
Ze laten de tekening zien.
In de gevallen dat het 'voorlezen' mislukt, vraag je of jij
de tekst mag voorlezen.
3.
Werken met 'Dingen in de kring'
Er zijn drie manieren om met een verzameling voorwerpen in de
kring te werken.
a) met een thematische collectie
b) met een gevarieerde collectie
c) met voorwerpen uit de zakken en tassen van de kinderen of
uit het lokaal.
Benoemen:
De kinderen zitten in de kring.
De eerste ronde is er om de voorwerpen één voor
één uit een tas tevoorschijn te halen en precies
te benoemen. De kinderen oefenen om verder te gaan dan "Dit
is een dinges"
Als het voorwerp niet meteen herkend wordt is er een vragenronde:
"wie weet wat dit is?"
Je geeft als begeleider pas in laatste instantie de juiste naam
van het voorwerp.
Benoemen van het gebruik:
In een tweede ronde vertellen de kinderen wat ze met een bepaald
voorwerp wel eens gedaan hebben, of erbij geweest zijn dat er
iets mee gedaan werd.
Ordening:
De kinderen leggen steeds twee voorwerpen bij elkaar die wat
betreft vorm, kleur, toepassing en zo meer, bij elkaar passen.
Het kan ook een associatieve ordening zijn. De combinaties zullen
steeds wisselend zijn.
De kinderen geven een toelichting op hun keuze.
Bijvoorbeeld : "De kaars en de batterij liggen bij
elkaar omdat ze alle twee licht geven" of "De kaars
en het bierviltje liggen bij elkaar omdat ze aan een feestje
doen denken"
Vertelronde:
Alle voorwerpen liggen op een tafel midden in de kring. Iemand
pakt een voorwerp en vertelt op een associatieve manier.
Het verschil tussen benoemen en vertellen moet je benadrukken.
Het gaat nu om de eigen ervaring.
Vragenronde:
De kinderen stellen vragen aan de verteller om bepaalde details
duidelijker te krijgen.
Je beperkt het aantal vragenstellers per voorwerp.
Wie heeft dat ook?:
In deze ronde neemt een van de kinderen een voorwerp en stelt
een vraag.
Bijvoorbeeld:
"Wie heeft ook wel eens geprobeerd een kurk uit een fles
te trekken wat niet lukte?"
De kinderen die er een ervaring mee hebben staan op en uit die
kinderen kiest de vragensteller er eentje die vertelt.
Lijstje:
Uit de vertelrondes maak je een keuze voor het maken van een
lijstje.
Tweetalgesprek:
Je geeft instructies voor het tweetalgesprek.
Het is mogelijk dat de kinderen in de tweetalgesprekken de voorwerpen
aan elkaar tonen om over details te vertellen.
Schrijfronde:
Je kiest voor een manier van teksten schrijven.
Bijvoorbeeld: een tekst die met een handeling begint
en pas later de naam van een voorwerp.
Voorlezen:
Je kiest voor een manier van voorlezen.
Bijvoorbeeld: de verhalen die bij een bepaald voorwerp
horen achter elkaar. Of de verhalen twee aan twee op de manier
waarop ze eerder hun voorwerpen twee aan twee gelegd hebben.
Herschrijven:
Je kiest voor een bepaalde manier van herschrijven.
In ieder geval is er de noodzaak om de teksten zo precies mogelijk
te krijgen.
4. Eerst een afbeelding en dan
pas schrijven
Meestal worden bij teksten tekeningen gemaakt.
Bij deze activiteit draai je de volgorde van werken om.
Abstracte beelden:
Er zijn verschillende manieren om zonder een vooraf vastgesteld
onderwerp of thema beeldende werkstukken te maken.
De technieken zijn:
a) rubberdrukken
b) sjabloneren
c) vormstempelen
Rubberdrukken
Bij rubberdrukken gebruik je zelfklevend 'celrubber' en kleine
zachte rollertjes met gekleurde stencilinkt, een drukboek en
een harde roller.
De volgorde van de handelingen bij rubberdrukken en de daarop
volgende taalactiviteiten zijn:
Knippen:
De kinderen zitten in tafelgroepjes. Op een begeleide manier
knippen kinderen vormen uit een stukje zelfklevend rubber.
Bijvoorbeeld: Je vraagt om eerst een langwerpig strookje
te knippen, daarna iets hoekigs en dan iets ronds en zo verder
tot ieder kind een voorraadje van vijf of zes verschillende
vormpjes heeft.
Plakken:
De kinderen beginnen met het plakken van één vormpje
op een blad papier binnen een kader.
Ze geven het blad door en de buur plakt er een tweede vorm bij
en zo verder tot iedereen een blad met vier of vijf vormen heeft.
Drukken:
Ieder kind heeft een drukvorm en een rollertje met een kleur.
In het groepje minstens drie verschillende kleuren. Met behulp
van een drukboek en de harde roller worden de afdrukken gemaakt.
De afdrukken worden ook steeds doorgegeven waardoor er meerkleuren
drukken ontstaan.
Ordenen:
De kinderen gaan in de kring zitten. In het midden worden steeds
twee afdrukken bij elkaar gelegd die om de een of andere, associatieve,
reden bij elkaar passen.
Praatronde:
De kinderen kijken naar de collectie op de grond, nemen een
bepaalde druk in gedachten en vertellen daarover zonder de afdruk
aan te wijzen.
Vertelronde:
De kinderen kiezen een afdruk uit de collectie en vertellen
op een associatieve manier over een ervaring. Het is verstandig
als je de vraag richt op een plaats van handeling.
Bijvoorbeeld: "Aan welke plek, waar je wel eens
geweest bent, doet deze prent je denken?"
Lijstje:
De kinderen maken een lijstje, door dit maal details uit de
afdruk over te tekenen.
Die details vormen de 'aan'tekeningen.
Tweetalgesprek:
Het is de kunst dat de kinderen een abstracte vorm als referentie
voor hun gesprek leren gebruiken.
Het is net zoals een, voor een ander, onleesbare aantekening.
Schrijven:
Je geeft opdrachten voor vorm en volgorde om te schrijven
Herschrijven:
De herschreven tekst wordt in het net onder de afdruk geschreven.
Voorlezen:
De prent wordt getoond en de tekst voorgelezen.
Drukken:
Een keuze van de teksten laat je met de tekstverwerker typen
en printen.
Op de tekstverwerker heb je al het kader aangebracht.
De print wordt gekopieerd in een kleine oplage en de rubberdrukken
erbij gedrukt.
Sjabloneren
Sjabloneren is een techniek waarbij gaten in een vel papier
geknipt worden. Door die vormen worden met kleine zachte rollertjes
kleuren gedrukt.
Vormbegrip:
Je schrijft op het bord sleutelwoorden die met dingen te maken
hebben die onder, boven, links, midden of rechts voorkomen.
Bijvoorbeeld: noemen de kinderen: 'gras' 'maan' 'water'
'bel' 'schoen'.
Je kunt natuurlijk ook een andere ordening bedenken.
De volgorde van de handelingen bij sjabloneren en de daarop
volgende taalactiviteiten zijn:
Vormen maken:
De kinderen knippen of scheuren vormen binnen een kader uit.
Je zorgt ervoor dat de kinderen van een tafelgroepje allemaal
op een andere plek met hun vorm beginnen door op verschillende
plekken een snede binnen het kader aan te brengen die aangeeft
waar ze beginnen met scheuren.
De kinderen kiezen uit de sleutelwoorden.
Je zorgt ervoor dat ze niet figuratief met veel detail gaan
werken.
Afdrukken:
De kinderen rollen met een zacht rollertje over hun sjabloon
en maken een afdruk.
De afdruk geven ze door aan hun buur die er zijn afdruk in een
andere kleur overheen drukt.
Dat gaat drie of vier keer zo.
Ordenen:
In de kring worden steeds twee afdrukken bij elkaar gelegd.
Praatronde:
Vertellen zonder de afdruk aan te wijzen.
Vertelronde:
De kinderen kiezen een afdruk uit de collectie en vertellen
op een associatieve manier over een eigen ervaring.
Lijstje:
De kinderen maken een lijstje
Tweetalgesprek:
Het is de kunst dat de kinderen een abstracte vorm als referentie
voor hun gesprek gebruiken.
Schrijven:
Je geeft opdrachten voor vorm en volgorde om te schrijven
Herschrijven:
De herschreven tekst wordt in het net onder de afdruk geschreven.
Voorlezen:
De prent wordt getoond en de tekst voorgelezen.
Vormstempelen
Je beschikt over een collectie vormstempels of je maakt die
met de kinderen.
De vormstempels zijn blokjes hout met daarop een abstracte vorm
uit plakrubber.
De volgorde van de handelingen bij vormstempelen en de daarop
volgende taalactiviteiten zijn:
Vormen
samenstellen:
Ieder kind in een tafelgroepje heeft een stempel gekozen.
Er zijn verschillende kleuren stempeldozen voorhanden.
Ieder kind stempelt zijn vorm binnen een kader en geeft de afdruk
door aan de buur.
Die stempelt zijn vorm erbij en zo voort.
Je beperkt het aantal keren dat een stempel afgedrukt mag worden
om te voorkomen dat de afbeelding 'dood' gestempeld wordt
Praatronde:
Vertellen zonder de afdruk aan te wijzen.
Vertelronde:
De kinderen kiezen een afdruk uit de collectie en vertellen
op een associatieve manier.
Lijstje
De kinderen maken een lijstje.
In plaats van woorden gebruiken ze de stempels.
Op het lijstje zijn zes vakjes gedrukt, binnen ieder vakje slechts
één stempel.
Benoemen:
De kinderen geven een naam aan een van de stempels uit hun lijstje
die een relatie met de vorm heeft.
Tweetalgesprek:
De kinderen gebruiken de benoemde stempelafdruk voor hun gesprek.
Schrijven:
Je geeft opdrachten voor vorm en volgorde om te schrijven.
Herschrijven:
De herschreven tekst wordt in het net onder de stempelafdruk
geschreven.
Voorlezen:
De prent wordt getoond en de tekst voorgelezen.
NB
De beschrijvingen zijn kort, maar in principe duidelijk genoeg
om mee te werken.
Voor details van de werkvormen zijn elders op de website pagina's
te raadplegen.
Het verdient aanbeveling een bepaalde werkvorm vooraf met collega's
of vrienden uit te voeren.
De knelpunten zijn daarmee vooraf te herkennen en belemmeren
niet de voortgang van een les met je kinderen.
©
Henk van Faassen