startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur

taalwerkvormen

bekijk
foto's, werk



lesontwerp
De Nul-optie
Een gedachtegang voor taallessen


In de meeste gevallen kies ik voor de 'Nul-optie' om mijn les te beginnen
Daarbij bepaalt de inbreng van de kinderen het thema van de les.
Het is wel aardig om na te gaan hoe dat in mijn hoofd gaat.

Wie wil de tekstschriften wil uitdelen?
Het blijkt dat er zes kinderen voor dit werkje verantwoordelijk zijn.
Op mijn gevoel deel ik de stapel schriften in zessen. Het laatste kind krijgt de dikste stapel, de andere kinderen protesteren.
Ik heb verkeerd geschat.
Op dat moment besluit ik het woord 'schatten' op het bord te schrijven.

Meerdere betekenissen van een woord
Als ik het woord opschrijf weet ik niet zeker of de kinderen het begrip schatten kennen. Ik geef als toelichting dat je dingen die je niet precies weet kunt schatten, zoals ik de stapeltjes schriften geschat heb.

Ik zie dat een aantal magneten ongeordend in het hoekje van het bord vastzitten en besluit een oefening in het schatten te houden. Ik bedek de magneten met een blad papier en vraag de kinderen te schatten hoeveel het er zijn. De aantallen gaan van vier tot acht. Als ik het papier weghaal en de magneten in twee nette rijen van vijf orden blijken het er tien te zijn.
Dan vraag ik naar nog meer betekenissen van het woord 'schatten'.

Dat is voor de kinderen een bekend terrein: een schat is een kist met goud. Schatten zijn meer kisten met goud.
Ik voeg er een derde betekenis aan toe: "Jullie zijn schatten van kinderen".
Maar zijn alle kinderen schatten?
De jongens willen liever niet zo aangesproken worden, de meisjes wel.

Hoe moet je s
chatten?
Ik kies ervoor om de kring samen te stellen op iets dat je moet schatten.
Ik besluit daarvoor de tijd te nemen die je nodig hebt om van huis naar school te komen. Dat doe ik omdat dit de meest recente ervaringsschatting bij de kinderen oplevert.
Omdat alleen het aantal minuten zo 'kaal' is laat ik erbij schrijven hoe je naar school kwam: alleen, met je moeder, lopend, achter op de fiets, gebracht met de auto. Die twee elementen bij elkaar zorgen ervoor dat het schatten iets concreter voor de kinderen is: ze zien zichzelf in gedachten achter op de fiets zitten en voelen dan ook hoe lang dat ongeveer duurde.

Verschil tussen lopen en rennen
Als een van de kinderen vertelt dat hij naar school rende komt bij mij de gedachte op om uit te zoeken wat het verschil in snelheid tussen lopen en rennen is.
Maar als lopen en rennen op het bord staan vraag ik ook naar iets dat langzamer gaat: kruipen, en iets dat sneller gaat: op de fiets.
Vanaf dit punt komen de vervoersmiddelen in beeld.
Hoewel ik vraag naar de manieren waarop je naar school komt: lopen, rennen, op de fiets, met de auto, wil ik de rij met de kinderen verder uitbreiden.
Wat gaat sneller dan de auto? Een motor, beweert een van de jongens.
Er komen meer vervoersmiddelen op het bord te staan: een koets, de trein, het vliegtuig.
Als klap op de vuurpijl ook een raket en een vliegende schotel.
Ik vraag me af of de kinderen ook kunnen schatten hoe hard al die vervoersmiddelen gaan. Ik schrijf hier en daar getallen op, achter lopen: 4 km. De brommer mag niet harder dan 20 km. Dat schatten we niet maar dat weten we.
Weten de kinderen ook dat je met een auto op bepaalde wegen niet harder dan 100 mag? Hebben ze wel eens bij hun vader in de auto gezeten als die te hard reed?

Nu ik bij vervoersmiddelen terecht gekomen ben wil ik weer terug naar ervaringen van kinderen: die keer dat ze lange tijd in de auto moesten zitten, of in het vliegtuig.
De plekken waar ze naar toe gegaan zijn.
Dat vraag ik in het lijstje te schrijven, en dan zo precies mogelijk. Ik ‘zoom’ als het ware in op de kleinst mogelijke ervaring.
Als die plekken op het lijstje staan is het simpel om bij de ervaringsteksten, die bij die plek horen, te komen.

Je antennes opzetten
Zo gaat dat bij mij en het lijkt zo simpel en voor de hand liggend.
Het is wel zo dat ik vooral in de eerste fase van de les, of eigenlijk al voor de les in werkelijkheid begonnen is, al mijn 'antennes' op de kinderen richt. Alles wat ze me te melden hebben sla ik op en sorteer intensief of er iets bij is waar ik op in kan gaan. Ik train mezelf erin om op deze manier naar de kinderen te kijken en te luisteren.
Op deze manier geef ik met plezier les en dat plezier slaat over naar de kinderen en die zullen spelenderwijs hun taal ontwikkelen.

In het werkboek van de school staan ‘opmerkingen en ervaringen bij het onvoorbereid starten van de les’. Ik citeer:
Niet toch stiekem een gespreksonderwerp van te voren bedenken en uitlokken.
De ingeslagen weg van de kinderen volgen en niet te veel sturen.
Op zoek gaan naar de ervaringen van de kinderen en niet hun kennis.
Tijdens het ordeningsproces een geschikte schrijfopdracht bedenken.
Genoeg rust en concentratiemomenten scheppen
.

Taalvorming en wereldoriëntatie
De leerkracht vraagt me of ik deze les vooraf bedacht heb. Ze veronderstelt dat ik onbewust beïnvloed ben door de auto's die de kinderen in de vorm van een klok geknutseld hebben en die aan de lijn in de klas hangen.
Dat is niet zo, maar dat valt moeilijk te aan te tonen. Het is een gelukkig toeval dat deze les aansluit bij het wereldoriëntatie thema 'vervoer'.

We praten even door over die auto’s waarbij ‘voertuig en tijd’ het thema uit de les was. Ik kies er niet voor om een dergelijke combinatie te maken. Ik zou met de kinderen afzonderlijk aan de begrippen ‘tijd’ en ‘vervoer’ willen werken, maar dat is een talig uitgangspunt. Het spreekt vanzelf dat de klok-voertuigen een leuk effect oproepen waar de kinderen met plezier aan gewerkt hebben.

We praten door over begripsvorming
Weten onze kinderen eigenlijk wel wat een kilometer is, hoe lang een kilometer is en hoe lang je erover doet om een kilometer te lopen?
De beste manier om dat te onderzoeken is natuurlijk om met de kinderen naar een weg te gaan waarlangs kilometerpaaltjes staan.
Dan kunnen ze voelen en zien hoe lang een kilometer is.
Eventueel kunnen we een wedstrijd houden met een stopwatch om te zien hoe lang we over een kilometer doen, lopend, rennend, kruipend, fietsend.
Om te weten hoe hard een auto kan en mag kunnen we misschien iets in het documentatiecentrum vinden. Hoe hard vaart een schip en hoe snel gaat een vliegtuig? Opbellen naar een scheepvaartmaatschappij, en de KLM ?

Henk van Faassen

naar boven

terug naar lesontwerpen