startpagina

register
trefwoorden


index
literatuur

taalwerkvormen

bekijk
foto's, werk


lesontwerp
Manieren om een schrijfgroep te begeleiden

Om met een groep te gaan schrijven zijn er twee manieren om te beginnen.
Als er meer zijn hoor ik dat wel.

Onder een schrijfgroep versta ik een groep deelnemers aan een cursus schrijven. Dat kunnen mensen zijn die voor hun plezier schrijven of deelnemers aan een alfabetiseringsprogramma.

Eén manier is:
de begeleider van de groep heeft een leuk idee en laat de groep daarin meegaan
Een andere manier:
de begeleider zorgt ervoor dat de groep een eigen startpunt vindt en gaat daar zelf in mee.

De eerstgenoemde manier wordt vaak, misschien uitsluitend, door docenten literaire educatie gebruikt.
Het ziet er met varianten zo uit: de docent diept uit zijn eigen arsenaal een onderwerp, een gedachte, een thema of een titel, op als beginpunt.
'Stel je voor: je staat op de tramhalte in de regen; schrijf wat je voelt'.
De zinvolheid van de opdracht ligt besloten in de ervaring van de docent die wel eens iets voelde op een natte tramhalte en daarover geschreven heeft.
De docent denkt dat zijn of haar creatieve inval een goede inzet van de les kan zijn. Met enige moeite krijg je de deelnemers zo ver om in gedachten ook op die tramhalte te gaan staan en iets te gaan voelen en dat op te schrijven.
De teksten die de deelnemers schrijven zijn afhankelijk gemaakt aan de ervaring van de begeleider, die in feite niet een proces begeleidt maar een schrijfopdracht geeft.

Het 'waarom' van mijn keuze
Ik kies voor die andere manier en ik probeer het hoe en waarom ervan uit te leggen. Het ‘waarom’ is verbonden met mijn overtuiging dat de meest zinvolle manier om met een groep te werken is om er letterlijk deel van uit te gaan maken.
Zelf, zo goed als mogelijk is, het onzekere creatieve proces van die groep te volgen. Mijn rol als begeleider heeft per definitie een geïsoleerde betekenis.
Ik word betaald om ergens op een bepaald moment iets te doen. De andere deelnemers betalen ervoor om naar mij toe te komen om iets te doen.

In een werkelijk creatieve interactie zijn alle deelnemers gelijkwaardig.
De verantwoordelijkheid voor het op gang brengen, en houden, van het proces ligt weliswaar bij de begeleider, maar mag in de taalproductie geen rol meer spelen.
De verantwoordelijkheid verplaatst zich op dat moment naar alle deelnemers van de groep.
Lukt het mij om die verantwoordelijkheid met hen te delen dan zullen de deelnemers zich bewust worden van hun eigen creatieve vermogens.
Omdat ik zelf ook deelnemer ben geldt dat ook voor mijzelf.
Ik vertel en schrijf mee, gedragen door de groep.

Het 'hoe' is mogelijk ingewikkelder om uit te leggen
Daar zit iedereen in die kring en kijkt verwachtingsvol naar mij op.
Ik deel potloden, onderleggers en papier uit. En wat is vervolgens het proces?

De reeks werkvormen ligt vast
Ik ga een kring samenstellen die per werkkeer wisselt. Dat wil zeggen dat de deelnemers steeds naast iemand anders zitten.
De eerste vertelronde is er voor om te zorgen dat ieders stem een keer geklonken heeft.
Met elkaar maken we een lijstje van steekwoorden om uit te kiezen waarover we kunnen vertellen.
We houden een tweetalgesprek met je buur in de kring naar aanleiding van één van die steekwoorden.
Eventueel wisselen we het gesprek met je buur aan de andere kant.
We kunnen nu een tekst schrijven, met als basismateriaal hetgeen net verteld is. De teksten voorlezen.
Een tekst kiezen om gezamenlijk te herschrijven. Individueel de eigen teksten herschrijven.

Vanaf het moment dat ieder in de kring zit moet er iets gebeuren.
Waar ik op hoop en vaak naar verlang is dat alles verder vanzelf gaat.
Soms gebeurt dat ook, zeker als ik met een groep kinderen schrijf. Die weten mij wel te betrekken bij hun levensspel en ik laat me graag meeslepen.
Bij volwassenen komt zoiets minder vaak voor, die hebben hun creativiteit nog even in de ruststand gezet.

Er zijn verschillende ingangsposities voor een les taalvorming
Ik bespreek er drie.

De eerste is de zogenoemde
Nuloptie

Ik ga zonder vooropgezet plan of thema in de kring zitten en laat me inspireren door de deelnemers en wat ze zeggen en doen, voordat ze begrijpen dat de les al begonnen is.

Het kan zijn dat iemand haar drijfnatte haar probeert te drogen en vertelt dat ze twintig minuten op de tram moest wachten en dat de regen van de open kant de abri binnen gutste. Mijn begeleidingsingreep is op dat moment die klaagzang om te buigen naar een gemeenschappelijke ervaring.
Een vertelronde hoe ieder hier gekomen is ligt voor de hand.
Vervolgens probeer ik de ervaringen van het moment te verdiepen en te vergroten. Meer momenten dat je op pad bent, meer momenten dat je tegen de wind in fietst. Het is mogelijk dat de vertelronde een andere ingangspositie oplevert.
Dat het gaat over de geluiden van natte straten, geuren van natte kleding, grijstinten die het landschap kleuren.
Het is daarom zaak mijn oren goed open te houden en de bovenliggende verhalen te selecteren om mee verder te gaan.
Dat hoeven niet per definitie de grappigste, of de interessantste, verhalen te zijn. Het is heel goed mogelijk dat het een verhaal is dat niets met die natte tramhalte te maken heeft.
Voorwaarde is dat ik inschat of ieder in de groep ermee verder kan. Het hoeft niet een uniek onderwerp te zijn, dat wordt het vanzelf wel als iedereen aan het schrijven gaat.

De tweede startpositie is
Voorwerpen gebruiken als mogelijkheid om bij een onderwerp te komen

Ik leg een collectie voorwerpen in de kring.
Dat kan een thematische collectie zijn: sleutels, lepels, tassen. Het is, wat mij betreft, vaker een collectie van willekeurig gekozen voorwerpen. In beide gevallen neem ik mij voor de voorwerpen het werk te laten doen. Iemand herkent iets, pakt een voorwerp en vertelt naar aanleiding ervan.
Meestal hoef ik nauwelijks iets te regelen, de verhalen komen wel. Ik luister en kies een ingang die weer iets gemeenschappelijks heeft.
Die gemeenschappelijkheid is van belang voor de interactie.
De associaties van de één op de voorwerpen brengen een ander bij een eigen verhaal.
Het enige dat ik moet bewaken is dat het geen beschrijvingen van het voorwerp worden. Een verhaal dat begint met: "dit is een houten lepel waarmee je in de pap roert" is niet een inspirerende start van een tekst.

Iemand pakt bijvoorbeeld een oude tramkaart uit de voorwerpen in de kring en vertelt over die verschrikkelijke tramhalte op de brug waar...
Het is zinvol om reliëf te geven aan die associaties door bijvoorbeeld eerst, zonder te vertellen en te verklaren, twee voorwerpen naast elkaar te laten leggen die wat betreft functie, kleur, materiaal of gevoelsmatigheid voor jou bij elkaar horen.
Een tramkaart naast een oude handschoen. Die ordening zal steeds wisselend zijn. Zonder dat er een woord gezegd is komt er al een thematiek tevoorschijn, maar ik moet wel goed opletten en een goede keuze maken om mee verder te gaan.

De derde manier
Een voorgelezen verhaal of gedicht

Ik heb meestal een aantal gedichtenbundels, of een verzamelbundel, bij me en kies daaruit.
Ik laat me daarbij weer leiden door wat de groep op dat moment bezighoudt.
Het is mogelijk dat de bundels die ik bij me heb op geen enkele manier daarbij aansluiten, maar dat is mij eerlijk gezegd nog nooit overkomen.
Terwijl die mevrouw heur haar droogt vind ik een gedicht:

Gedoken onder den pannenboog:
‘wat is het hier rustig, wat is het hier droog.’
Kogelrond gestoken tusschen
sparren en kalk de donzen musschen:
‘dik in de veeren op te gaan
in zoetheid van het klein bestaan.
Zonder gekheid. Wij hebben het best.
Warmte en een genoeglijk nest,
men is er prettig en voelt zich tevreden
en het bestaan heeft doel en reden.
Alle man zoo op zijn gemak,
onder het groote pannendak.’
Als de regen zijn sluizen sloot glundere musschen in de goot
op een rij, en vier misschien om
naar het weer te zien.


J.H.Leopold

Er zullen vast meer manieren zijn
Voorwaarde is echter dat een manier gebaseerd is op gelijkwaardigheid tussen cursist en begeleider, tussen leerkracht en de leerlingen, tussen Henk en de kinderen in de kring.
'Als ik zelf lol heb bij wat ik vertel en schrijf hebben de anderen dat ook'
zo is dat.

Henk van Faassen


naar boven

terug naar lesontwerpen