startpagina

register
trefwoorden

index
literatuur

gedichten

bekijk
foto's, werk




 
 

Lesontwerp
Met een grote stapel dichtbundels de klas in

Hoi poièètèès poëzij rijmerij (niets of niemand haalt daarbij)
verzen-kei triest of blij (‘t werk gedijt het best in mei)
gouden gloed dichtersbloed (driekwartsvoet, - die huppelt goed)
woordenvloed onbeboet (wonderen doet poëtenmoed)
overdaad nooit geschaad (‘t klokje slaat nu jambemaat)
liefde haat neemt te baat (‘t lijkt net echt, - dat er wat staat)
Jan Hanlo

Inleiding
Is er altijd voldoende aandacht voor het 'waarom' van een les?
In de meeste gevallen is de aanleiding een bepaald thema dat aan de orde is of, vaker nog, de les is methodisch aan de beurt om gegeven te worden.
In zulke gevallen zijn de kinderen geen factor van betekenis bij het ontwerpen van de les, ze worden onderworpen aan het systematisch ontwerp van het taalonderwijs.
Dat is jammer, want ik hoor om mij heen dat het onderwijs betekenisvol zou moeten zijn.
Dan spelen de kinderen een belangrijker rol bij het bepalen van inhoud en vorm van een les dan nu veelal het geval is.
De vraag is dan hoe je kinderen kunt betrekken bij het ontwerpen van je les en dan tevens te voldoen aan de kerndoelen van taalontwikkeling.
Lessen taalvorming hebben een startpunt, een reden om die les te geven op die bepaalde manier, op dat bepaalde moment. In dit artikel zijn een paar aanzetten beschreven.
Vooral het werken met korte verhalen en gedichten uit de literatuur komen aan bod.

Henk van Faassen

Er zijn verschillende manieren om een les taalvorming te beginnen
Er is de zogenoemde ‘nuloptie’.
Daarbij ga je zonder vooropgezet plan of thema in de kring zitten en laat je inspireren door de kinderen.
De dingen die ze zeggen en doen voordat ze door hebben dat de les eigenlijk al begonnen is bepalen de inhoud van de les.
Je buigt de gesprekken, of een gesprek dat je met een bepaald kind hebt, om naar een gemeenschappelijke ervaring.

Vervolgens probeer je het onderwerp te verdiepen en te vergroten.
Het is zaak je oren goed open te houden en de bovenliggende verhalen te selecteren om mee verder te gaan.
Dat hoeven niet per definitie de grappigste, of de interessantste verhalen te zijn.
Voorwaarde is dat ik kan inschatten of iedereen in de groep ermee verder kan.
Het hoeft niet een uniek onderwerp te zijn, dat wordt het vanzelf wel als iedereen aan het schrijven gaat.
Een andere manier is het werken met voorwerpen in de kring.

Een thematische collectie: sleutels, lepels, of ronde dingen.
Of, wat mij betreft, vaker een collectie willekeurige dingen.

Die voorwerpen het werk te laten doen.
Iemand herkent iets, pakt een voorwerp en vertelt er over. Meestal hoef je nauwelijks iets te regelen, de verhalen komen wel.
Luister scherp en kies een ingang voor de les die iets gemeenschappelijks heeft.
Die gemeenschappelijkheid is van belang voor de interactie.
De associaties op de voorwerpen van de één brengen een ander bij een eigen verhaal.

Het voorlezen of laten voorlezen van een kort verhaal of een gedicht is bij taalvorming een veelgebruikte manier om de les te beginnen.

Daarover wil ik hier meer schrijven, voornamelijk over wat er gebeurt als de kinderen zelf de gedichten uitzoeken.
In het algemeen zoek ik zelf één - of meer gedichten, waarmee ik wil werken in de groep, van tevoren thuis uit.
Gemakzuchtig als ik ben gebruik ik daarvoor meestal de verzamelbundel ‘Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is’.
Er staan zo veel bruikbare gedichten in, voor zo veel bruikbare onderwerpen, dat er altijd wel eentje is waarvan ik denk dat die een goede opstap is voor de groep kinderen waar ik mee ga werken.

Veel vaker zoek ik het gedicht pas op school uit, vlak voor de eerste vertelronde begint.
De kinderen zitten dan al in de kring, ik heb de sfeer geproefd en ik ken de belangstelling van de kinderen uit de informele gesprekjes voor de les.

Andere keren komt de keuze van een gedicht pas ter afsluiting van een vertelronde, als het centrale onderwerp zich al aangediend heeft.
Tijdens het traditionele eten en drinken kun je ook gedichten voorlezen, maar die zijn meer bedoeld als een soort achtergrond bij het onderwerp waarmee we bezig zijn.
Ik verwacht dan niet dat de kinderen geconcentreerd luisteren, maar ze vangen toch iets op.

Starten met een gedicht dat de kinderen van groep 7 zelf gevonden hebben
De kinderen zelf bepalen welke gedichten voorgelezen worden, waar we het vandaag over gaan hebben, wat we gaan vertellen en waarover we schrijven.

Ik heb een grote stapel bundels en bloemlezingen bij me. 1)
Gele plakkertjes markeren een aantal gedichten.
Die voorselectie heb ik gemaakt omdat ik denk dat de kinderen, als ze moeten kiezen, kunnen verdwalen in een te groot aanbod.

Die selectie heb ik heel ruw gemaakt, vier of vijf gedichten per bundel.
Met een half oog gekeken naar de inhoud van de gedichten en het taalgebruik van de dichter.
Dichters met ‘ouderwets’ taalgebruik heb ik deze keer niet gekozen.
Wel kun je keizen voor de meer kortere exemplaren omdat het voorlezen van een aantal lange gedichten achterelkaar te zwaar is voor de voorlezertjes en de luisteraartjes.

Te verwachten is overigens wel dat de kinderen, als ze op zoek gaan, ook gedichten kiezen waar hun oog op valt, die bijvoorbeeld op dezelfde pagina van een gemarkeerd gedicht staan.
Dat kunnen dan weer langere zijn, maar dan hebben ze er zelf voor gekozen en lezen ze zo’n eindeloos vers moedig voor.
In een enkel geval zit er een bundel met korte verhaaltjes bij.

Sprekersblokje
De kinderen zitten in zes tafelgroepjes van ongeveer vijf kinderen.
Een van de kinderen in ieder groepje is de ‘spreker’, die is herkenbaar aan een 'sprekersblokje' voor zich.
Alle bundels liggen op een tafel voor de klas uitgespreid.

De sprekers kiezen twee bundels.
In principe kijken ze naar de afbeelding op de omslag, lezen de titel.
Een van de kinderen gooit een dikke bloemlezing opzij om snel het dunste bundeltje te pakken.

Terug in hun groepje kiezen de sprekers, samen met de anderen, uit de twee boeken er één uit.
De kinderen kijken nu wel even in de bundels wat voor soort gedichten er in staan.
Hoe de onderhandelingen precies gaan laat je aan hen over.
Sommige sprekers kiezen bazig zelf, anderen laten zich door de rest van het groepje beïnvloeden.

De niet gekozen boeken worden opgehaald.
Dan vraag je het groepje de gedichten waar een geel plakkertje bij zit, te bekijken en er één uit te kiezen.
Het mag ook een gedicht zijn waar geen plakkertje bij zit.
De spreker zal het gedicht voor de klas voorlezen.

Nu lezen de kinderen de gedichten wat nauwkeuriger, praten erover, onderhandelen over de keuze.
Een gezellig geroezemoes gaat door de klas, een enkel kind kijkt boos, zijn gedicht heeft het niet gehaald. 2)

Voor de klas staat de voorleesstoel en de sprekers lezen de gedichten voor
Af en toe probeer je de wiebelende benen bij het voorlezen te remmen.
Boeken die voor het gezicht gehouden worden trek je voorzichtig een beetje naar beneden.

Met verlegen zachte stemmetjes bereiken de gedichten de achterste kinderen niet.
Ze moeten drie keer zo hard voorlezen.

Gedichten zijn niet alleen rijmende teksten, het zijn ook teksten die je op een bijzondere manier kunt voorlezen. Dat raffel je niet af.

Dan kunnen er vragen gesteld worden aan de spreker, de voorlezer.
Vragen als “waarom hebben jullie voor dit gedicht gekozen” mogen niet.
Hoe de keuze is gemaakt valt niet gemakkelijk te verantwoorden en als er een antwoord komt zoals: “die vonden we leuk”, schieten we daar niet veel mee op.

Voorzichtig dirigeer je de vragen naar de inhoud, noem een woord uit het gedicht met een vragende blik, stel zelf een vraag tussendoor.

Bij sommige vragen kijkt de spreker hulpeloos naar mde leerkracht, bij andere vragen is domweg geen antwoord te geven.
Hoe kun je nou weten wie de bloem uit het gedicht ‘Margriet’ geplukt heeft?

MARGRIET
Die stond tussen gras
in de weide, die was
een frisse margriet,
maar bleef dat niet,
Ze kwam voor een raam
van een huiskamer staan.
Alleen, met een smal vaasje aan.


Han G. Hoekstra

‘Alleen, met een smal vaasje aan’ staat er.

We praten erover dat je in een gedicht een bloem best een vaasje aan kunt trekken in plaats van die in een vaasje te zetten. De kinderen stellen zich de situatie met die bloem voor en bedenken ook hoe de weide met alleen stelen eruit ziet, als alle bloemen geplukt zijn. In dit gedicht zitten lekker veel rijmwoorden vinden de kinderen. Dat blijft toch maar steeds een belangrijke voorwaarde die de kinderen aan een gedicht stellen.
Je schrijft een sleutelwoord uit het gedicht op het bord.

Dan komt het gedicht ‘Levenslang verliefd’

Ik heb nu vaste verkering.
Het is nu echt goed aan.
Maar soms dan zie ik wazig
een andere leukerd staan.

Bas Rompa (fragment)

Het sleutelwoord is ‘verkering’.

De vragen gaan over ‘vrijen’, ‘zoenen’, ‘de kriebels krijgen’.
Ik vraag door, wat is dat ‘vrijen’? “
Nou ja zeg, als een man en een vrouw, weet je wel, als ze in bed gaan”.

Er wordt wel wat gegniffeld, maar het onderwerp is wel bespreekbaar.
Welke soorten kusjes die er zijn: die op je wang, vlinderkusjes, op het ongeschoren gezicht van je vader, met het puntje van je tong kriebelen, een blaaskusje.

De Surinaamse jongetjes stellen zich stoer en deskundig op, de meisjes luisteren en glimlachen.
Wie heeft er 'verkering'? Nee, niet zeggen wie met wie! Vingers gaan omhoog.
Verkering op de camping, op school, met iemand uit de buurt.
De verhalen komen zonder schroom.
Ook vertellen de kinderen wat je doet als je verkering hebt:
“Je kijkt steeds naar iemand” “Je zegt aardige dingen”, “Je brengt cadeautjes mee”
Over zoenen gaat het verder niet.

‘Blauwtje onder het mes’ is geen gedicht maar een kort verhaal over de poes bij de dokter. Het is geschreven door Laura Ranger, een meisje van ongeveer dezelfde leeftijd als de kinderen van deze groep.
In het verhaal komen veel min of meer moeilijke woorden voor zoals bijvoorbeeld röntgenfoto, hechting, bloedsomloop, litteken, thermometer.
Al snel gaat het gesprek over de eigen lichaamsdelen die doorgelicht zijn, de hechtingen die getoond kunnen worden.
Uitgebreide verhalen over oorzaken en gevolgen van ongelukken.
De arme poes krijgt helemaal geen aandacht meer.

We vertellen elkaar wat we gezien hebben bij de koeien in de wei als het gedicht “Koeieleven” van Bas Rompa voorgelezen is.
Hoe de koeien in de regen staan en wat ze doen als ze met hun natte snuit heel dicht bij je komen. Of je eigenlijk bang voor koeien moet zijn als je door de wei loopt of niet.
Het gaat ook even erover of de koeien wit zijn en de zwarte vlekken er op zitten of andersom. De kinderen kennen de dieren van de kinderboerderij, grote koeien zijn daar jammer genoeg niet bij.

De namen van soorten vissen komen aan bod bij het gedicht “Aquarium” van Louis Verbeeck.
Dat één van de vissen in het gedicht ‘oom Jan’ genoemd wordt, omdat die ook altijd zo gaapt, is grappig.
Dat oom Jan geen mannetjesvis is en kleintjes krijgt valt de kinderen niet als bijzonder op.
In gedichten worden de dingen toch altijd anders beschreven dan ze zijn.

Alle sleutelwoorden die bij de gedichten horen staan nu op het bord.
Bij ieder sleutelwoord valt wel iets uit te leggen, vergelijkingen te maken, spellingsproblemen op te lossen.

Goed, kies nu een sleutelwoord uit en maak een lijstje van eigen gebeurtenissen die je kunt verbinden met dat sleutelwoord.

We kiezen een onderwerp uit ons lijstje en vertellen aan de buur.
Deze lijstjes en deze tweetalgesprekken verschillen met die we meestal maken en houden. Er zijn nu meerdere onderwerpen in plaats van één, door de leerktacht gekozen, thema.

Dan gaan we schrijven.
We beginnen meteen met de kernachtige zinnen.
Dat moet ook wel want we gaan rondelen schrijven.

Rondelen zijn gedichten die het duidelijkst voldoen aan de mogelijkheden van de kinderen om te schrijven zonder rijm. De structuur laat toe om stap voor stap de tekst op te bouwen.

Bij iedere regel geef je een mogelijkheid aan: een regel voor het onderwerp, eentje voor de gebeurtenis, nog een voor de bijzonderheden bij die gebeurtenis, wat je voelt en denkt, en zo voort.
De regels die herhaald worden zorgen voor het ritme in de tekst.

Kan deze manier van werken ook in groep 4/5?
Het zal lukken, ondanks het feit dat de vierde groepers nog niet zulke bedreven voorlezers zijn.
In deze groep heten de sprekers ‘kwakers’ en die hebben een drijfeend of een badeendje voor zich.
Een van de eendjes is zijn kop kwijt geraakt melden de kinderen.
De ‘kwakers’ worden uitgedeeld aan de kinderen waarvan je verwacht dat het voorlezen zonder al te grote problemen gaat.

Zorgvuldig en bewust van hun belangrijke taak, kiezen de kwakers de twee bundels.
Ze wegen af welke ze zullen nemen, bekijken de afbeeldingen op de omslagen.
Enthousiast kiezen de kinderen vervolgens in het groepje die ene bundel waar dat ene gedicht in staat dat ze aanspreekt.

In het groepje waar ik bijgeschoven ben stellen de kinderen het één na het andere gedicht voor. Het ene is nog leuker dan het andere vinden ze. Kiezen is nooit gemakkelijk.
Een van de kinderen houdt tijdens het doorbladeren van de bundel en het kiezen, een vinger stijf vast bij een van de pagina’s. Daar staat het gedicht dat zij wil horen 3)

Haren
Als je oud wordt
krijg je haren op
de vreemdste plaatsen.
Nee, ik bedoel niet
onder je armen, je buik.

Neem nou mijn vader:
bij hem groeien twee
haren op de ronding
van zijn oorschelp
naast elkaar omhoog.

En laatst had hij er één
die volstrekt zelfstandig
rechtstandig
de kop opstak
uit zijn linkerwijsvinger:
een rietstengel zonder pluim.


Remco Ekkers

Die haar als een rietstengel is wel het leukste uit het gedicht, dat is het sleutelwoord op het bord. We praten over vaders en hoe die er uitzien.
We doen ook nog even snel een onderzoekje: wie van de jongens heeft de langste haren op zijn arm?
Een van de meisjes is jury en bekijkt giechelend alle jongensarmen.
Ik mag niet meedoen want ik heb overal lange haren.
Later blijkt dat een van de meisjes nog langere haren op haar arm heeft.
Dat zit in de familie vertelt ze. Haar tante scheert ze af, maar zij niet.

‘Sint Joris en de draak’ is ook een gedicht van Remco Ekkers.
Het gaat over twee vriendjes die een wapenrusting van karton maken. Veel aandacht krijgen de gifgroene draken. Marc, die het gedicht voorleest, zie ik bij ieder woord dat een beetje moeilijk is om voor te lezen, zijn schouders even ophalen. Wapenrusting, stampend, lafaard, koksmaat, timmerden, het zijn woorden die er zo gemakkelijk uitzien maar als je voor de klas op de voorleesstoel zit is dat anders.

‘Mijn kibbelkameraadje’
is geen gedicht maar een verhaaltje van Laura Ranger.

‘Vanessa klit aan mij zoals een mossel aan een boot. Zij is mijn kibbelkameraadje. Ze heeft rood haar en zevenduizend sproeten (ik heb er tweeduizend). Minstens een keer in de week bakkeleien we over spelletjes, haar en sproeten. Als we de pest in hebben zeg ik vuurtoren tegen haar en zij noemt me sproetenkop en lacht als een oude oehoe. ...............’.(fragment)

Kibbelen, oren spitsen en klitten zijn de sleutelwoorden.
Doe eens voor hoe je jouw oren spitst?
Alle kinderen beginnen ijverig aan hun oren te trekken, tot eentje roept:
“Oren spitsen dat kun je niet zien, maar je merkt het wel”
Ze komt het voordoen en staat gewoon, met een ernstig gezicht, voor de klas.
Dat is oren spitsen, maar hoe zit het met klitten? “Klitten zitten in je haar”, weet een van de kinderen.
Dat van die mossels aan een boot hebben ze ook wel eens gezien. Hoe die twee vriendinnen met elkaar omgaan kunnen ze zich helemaal voorstellen.

Driftbui
Soms als ik vraag
of je mij soms vandaag
eens wilt helpen om iets op te ruimen
dan kijk je me zo aan.
Je doet niets, blijft maar staan.
Je wilt niet en je bent niet te puimen.

En ik weet hoe dat gaat
je blijft staan waar je staat
je wordt boos en daar kan ik niet tegen.
Maar hoe strenger ik praat
je wordt steeds erger kwaad
omdat jij op je kop hebt gekregen

Karel Eykman (Fragment)

Lawaai, driftig, opruimen en op je kop krijgen zijn de sleutelwoorden.
We spelen een rollenspel. Eén kind speelt twee rollen: die van vader of moeder en de rol van jezelf. Als je vader bent sta je links voor het bord, als jezelf, rechts. Snel heen en weer lopend komen de dialogen met boze vaders op gang. Hoe dat klinkt dat weten ze wel. Een van de kinderen speelt drie rollen, want er is nog een broertje bij betrokken.
Het spel stimuleert de kinderen nauwkeurig hun tekst te formuleren. Zo maar wat zeggen of woorden weglaten valt meteen op.
Vaders zijn een geliefd onderwerp.
Een ander groepje koos het gedicht ‘Mijn papa’.

MIJN PAPA
Soms is mijn papa
heel erg chagrijnig.
Elke keer
als hij zijn mond opendoet
volgt er een snauw.

Soms is mijn papa
zo kwaad
dat hij grauwt
als een norse bok.
(....)
Mijn papa is
zo snel als een cheetah,
zo zacht als een poes, zo trouw als een hond,
en zo knuffel als een konijn.

Ik hou van mijn papa een heleboel.

Laura Ranger (fragment)

Wie heeft ook zo’n knuffelvader? Eentje die af en toe chagrijnig is? Daar valt veel over te vertellen. Hoe de kinderen hun vader bespringen als hij rustig voor de TV zit. “Eerst zet ik zijn bril af en dan neem ik een aanloop en spring op zijn buik”
Als we weer de dialogen in het rollenspel aanhoren merken we hoe kinderen toegesproken worden als vader boos is.
Moeders kunnen er in het spel ook wat van.
Dat van die snoepjes blijkt ook een duidelijke herkenning op te leveren, wat moeder niet toestaat mag van vader wel.
Jammer genoeg laten de kinderen zich snel verleiden om over de kwaliteit en soort van het snoepgoed te praten. Vooral de toverbal met de kleuren krijgt veel aandacht.

Nu gaan we schrijven.
In de pauze zijn alle uitgekozen gedichten vergroot gekopieerd.
Alle kinderen krijgen de hele collectie in hun multomap.

De kinderen lezen het gedicht nog eens en zoeken nog meer sleutelwoorden op.
Woorden die te maken hebben met iets dat je zelf hebt beleefd.
Tijdens het opschrijven van de sleutelwoorden komen ze meteen ook de moeilijke woorden en hun spelling tegen.
Zonder moeite kan hieruit een zogenoemde bordrij samengesteld worden.
Woorden waarvan de leerkracht vindt dat ze door de kinderen onthouden moeten worden.

In de vorm van een dialoog schrijven.
Te beginnen met het kiezen van de persoon waarmee je een tweegesprek voert.
Mijn broertje: "Zullen we met jouw auto’s gaan spelen?”
Ik: “nee, want jij molt al mijn speelgoed” enzovoort.

Zo gemakkelijk als de dialogen voor het bord gingen zo moeilijk vinden de kinderen het om ze op te schrijven.
Ze vervallen snel in het beschrijven van de gebeurtenis en het valt niet mee om die in een dialoogvorm om te zetten.
Vooral missen de kinderen de mogelijkheid om bijvoorbeeld de plaats van handeling te in de dialoog op te nemen.
Ondanks alles komen er een aantal goede teksten tevoorschijn.

Na het voorlezen van de dialogen spelen andere kinderen die uit hun hoofd, met variaties, uit. In dit geval laat je de verschillende rollen door afzonderlijke kinderen spelen.

Het spelen van teksten zorgt voor een grote verdieping in de hele groep.
Kan de aandacht na het voorlezen van de zoveelste tekst verslappen, het kijken naar het rollenspel blijft boeiend.

Een korte evaluatie over het raarste, het moeilijkste en het leukste van de les sluit alles af.
De kinderen gaan opgewekt naar huis.

En nu in groep 8
“De kinderen zijn al aardig aan het puberen” zegt de leerkracht, als ik vertel hoe goed en open de kinderen in groep 4/5 gewerkt hebben.
Die openheid schijnt een beetje te verdwijnen als de kinderen in de bovenbouw terecht komen.
Dat is jammer en zou er wat aan te doen zijn? In ieder geval gaan we met de stapel bundels aan de slag.

De sprekers zijn er en in de groepjes moeten besluiten genomen worden.
We hebben het even over het nemen van beslissingen, hoe dat is en wat je moet doen om zelf beslissingen te nemen. Wie neemt zelf beslissingen en waarover?
Ja, ik beslis zelf wat ik vandaag aantrek. “Beslis je ook zelf bij het kopen van je kleren?”
Het blijkt dat vaders en moeders dat toch wel vaak doen.
Nu beslissen we zelf over de keuze van de gedichten, het voorlezen en zo meer. 4)

Als de gedichten voorgelezen zijn, schrijven we weer sleutelwoorden op het bord.
Meteen erna worden de gedichten in dialoogvorm gespeeld.
Eerst door één kind voor meerdere rollen, later voor iedere rol een kind.

Als dat lekker loopt besluiten we video-opnamen van het spel te maken.
Dat gaat niet vanzelf.
Veel kinderen bemoeien zich met het spel, of met de opname en dat staat natuurlijk een mooi beeld in de weg.
Goed op het rode lampje letten, onbevangen spelen zonder al dat gegiebel er tussendoor. Afhankelijk van het gedicht gaat het goed of minder.
Het gedicht ‘kussen’ is wel het moeilijkste.

Uiteindelijk wil Angelo wel de verschillende types zoenen demonstreren.
Om het spel met z’n tweeën te doen lukt niet. Niemand begint er aan.

KUSSEN
mijn papa
wil mijn mama kussen
maar
ik dring er lekker tussen
ik hou niet van dat gevrij
want
ze kijken niet naar mij


Hans Hagen (fragment)

Dan schrijven we de dialogen.
We leggen elkaar uit wat een dialoog eigenlijk is.
Veel kinderen beschrijven, ondanks dat het een dialoog moet zijn met personages en een dubbele punt in de kantlijn, de gebeurtenis. Ze zijn het zo gewend.
Jeanôt schrijft:
Miesje: “héé waarom kijken ze niet naar mij.”
Vader: “Mmm, je bent zo mooi dat ik je lust.”

Miesje: “ik kom er lekker tussen in, hoi mam, hoi pap.”
Moeder: “Miesje, we zijn toch bezig zie je dat niet?”
Miesje: “Al dat gevrij dat is niks voor mij. Ik ga der wel onderuit. Héé jullie zijn weer begonnen hé ondankbare moeder en vader. Ik spring lekker op de bank. Ze kijken niet eens naar mij.
Vader: “Spring niet zo op de bank!! Ik word boos.”
Miesje: “Kijk eens naar mijn schoenen. Zijn ze niet om te voelen, héé jullie kijken niet eens. Al dat gevrij is niks voor mij. Hoeveel kusjes heb je haar gegeven, denk je niet dat je bent overdreven.”

Het rijm in de laatste zin is waarschijnlijk toevallig.

Het gedicht Mijn school geeft veel herkenning.

Drieduizend keer
en meer
heb ik dezelfde weg gefietst
van school naar huis
van huis naar school
heen en weer
in alle weer

Diet Verschoor (fragment)

Ik: “Ik heb de pest aan huiswerk”
juf: “Je gaat je huiswerk maken”
Ik: “Maar ik moet naar de dokter”
juf: “Naar de dokter gaan duurt hoogstens 1 uur”
Ik: “Nee hoor het duurt de hele dag” de volgende dag:
juf: “Voor je huiswerk heb je een 5”
Ik: “Ja weer (zoals altijd)
juf: “Jammer moest je maar naar mijn uitleg luisteren”
Ik: “Ja zal wel rotwijf!!!

Saloua

Meisje: “Ik moet heen en weer op en neer naar school”
Leerkracht: “Moet je straf, een dik pak huiswerk”
M: “Ik dacht ik ga naar huis lekker chips cola voor de tv dan liever elke dag voor mijn toekomst.
Lkr: “Wil je niet leren ga dan naar huis
M: “Dan ga ik lekker naar huis en kom nooit meer terug”

Wasim

De kinderen kennen alle school-smoesjes en spelen de leerkrachten met overtuiging.
Ze vinden het leuk om in hun tekst de juf een ‘rotwijf’ te noemen.
Zouden ze het echt menen?
Nu de dialogen op papier staan proberen de kinderen de tekst te volgen als ze spelen en improviseren veel minder.

Kinderen stellen voor om voor de camera te mimen.
Dat is een goed idee.
De opname wordt gemaakt en het gedicht wordt buiten beeld erbij voorgelezen.
Zo zoeken we naar verschillende manieren van presenteren.
Aan het eind worden alle dialogen in het net geschreven en ‘gewoon’ voorgelezen.
Later zullen we eens kijken of de video-opnamen gelukt zijn.

Die stapel, maar nu in groep drie
De kinderen hebben vaker met een gedichtje, rijmpje of versje gewerkt, maar die werden door de leerkracht voor ze uitgekozen uit de bundel: Ik geef je niet voor een kaperschip met tweehonderd witte zeilen.
In die bundel staan 333 versjes thematisch bij elkaar.
Hoofdje op het kussen; Dichterbij; Linkerschoen aan rechtervoet; Waar is je pop?; Mondje open; Warm is niet koud; Neusje in de wind; Naar bed naar bed
en nog veel meer onderwerpen.

Omdat de wereld van de kinderen steeds groter wordt begint de bundel thuis, in de kinderkamer, en gaat dan van binnen naar buiten. Van het huis naar de tuin, naar de straat, de stad, de bossen, de zee de bergen en de boerderij. Op het eind keren de samenstellers terug naar de slaapkamer thuis.

Oortjes van marsepein
Neusje van porselein
Oogjes van Delfts blauw
Ik geef je niet voor een klein kaperschip
Ik geef je niet voor een groot kaperschip
Niet voor een van zilver Niet voor een van goud
Ik geef je niet voor een kaperschip
Met tweehonderd witte zeilen

K. Schippers

In de bundel staan bekende en minder bekende kinderversjes die lekker klinken in de oren van jonge kinderen als ze worden voorgelezen.
Het taalgebruik is aan de kinderen aangepast en de leerkracht kiest de gedichten die bij de thema’s passen die in de groep aan de orde zijn.

Maar hoe zit het bijvoorbeeld met die ouderwetse rijmpjes?
Hebben de kinderen van groep drie daar een beeld bij?
En hoe gaat het met gedichten die eigenlijk door grote mensen voor grote mensen geschreven zijn?
Moeten we die gedichten bij ze weghouden tot ze ‘er aan toe’ zijn?

Janneke,
mijn manneke,
mijn hert- en hemeldief,
kander,
wel een ander,
neen geen ander! -zijn zo lief?

Guido Gezelle

De wereld van de kinderen is gevuld met lettervormen die anders zijn dan die ze in hun schoolboekjes tegen komen, met woorden die ze nog niet kennen. In hun omgeving zijn potten met teksten over de samenstelling van pindakaas, er zijn boeken en tijdschriften die vaders en moeders laten rondslingeren, op straat zijn er affiches en teksten op T-shirts (meestal in het Engels).

Vreemde teksten verschijnen in stripboeken en bij de computerspelletjes. Overal zijn teksten waar hun oog op valt.
Ze kiezen ervoor of ze die teksten lezen of dat ze er alleen naar kijken.
Als ze geïnteresseerd zijn in wat ze zien zullen ze ongemerkt ook leren wat er staat.
Ze zijn actief bezig met hun eigen leerproces en kunnen goed omgaan met de teksten die ze lezen.
Het kan geen kwaad die stapel gedichtenbundels toe te voegen aan de leesomgeving van de kinderen.
En het is goed als de kinderen zelf de gedichten kiezen uit een gevarieerd aanbod.
Laten we eens kijken hoe dat gaat.

De kinderen zitten in de kring.
Ze hebben nog niet eerder gewerkt met de gekleurde blokken die aangeven dat je ‘spreker’ bent.
Een van de kinderen ziet de blokken klaar liggen en stapelt ze mooi op: eentje verticaal op z’n kant en dan weer een horizontaal er op, enzovoort tot er een wankel torentje op de tafel van de juf staat.
Ik vraag of het torentje in het midden van de kring mag staan.
We meten precies uit waar het midden van de kring is.
Op de blokken staan mondjes getekend, dat zien de kinderen meteen.
Waarvoor zijn monden eigenlijk? “om kusjes te geven” “om te eten” “om je tong uit te steken” .
Dat je met je mond ook praat, is er nog niet meteen bij. We praten verder over lippen en tongen, en een van de kinderen laat zien dat je door je mond ook je longen kunt zien.

Leg uit waar de blokken voor zijn en deel ze uit.
Als je een blok hebt mag je ‘spreker’ zijn, mag je voorlezen en dingen zeggen die je in je tafelgroepje gehoord hebt.
Een van de kinderen zet zijn blok meteen als een mobiele telefoon aan zijn oor en begint een denkbeeldig gesprek te voeren.
We hoeven kinderen en hun verbeeldingsvermogen helemaal niet te helpen, ze zien het zelf wel.

Dan komt de stapel dichtbundels. Die liggen nu in het midden van de kring en de ‘sprekers’ mogen ieder er een uitzoeken.
Ze kiezen als eerste de bloemlezing: ANDERS GEZEGD, want daar staat een grote rode lippenafdruk op de omslag.
Daar komt de tijger heeft een leuke omslag en het boekje kennen ze wel.
De omslag van Ruim je kamer op laat een enorme troep zien.
Een vliegtuig en een pinguïn sieren de voorkant van Haringen in sneeuw.
Een plaatje van een schilderij vol met leeuwen, struisvogels, kalkoenen en een paard, op de omslag van De mooiste gedichten over dieren, trekt eveneens de aandacht.

Met z’n drieën kiezen jullie een gedicht uit.
Ik vraag of er een spreker is die één woord eruit kan voorlezen, dat woord schrijft de juf op het bord. ‘Kwiek’, ‘veiligheid’ ‘kijk’ ‘whaaaww’ ‘voor’. Whaaaww is de brul van de tijger.
Wie kan een paar woorden, of een stukje van het vers voorlezen?
En wie van de sprekers wil het helemaal voorlezen?
Het blijkt dat ‘voor’ een woord is uit het kortste gedicht dat de kinderen konden vinden:
Voor M. Vasalis.
Het is de opdracht in de bundel Het Dierbaarst en M. Vasalis is een dichteres. Dat overkomt me als ik de kinderen laat kiezen.
De andere gedichten die gekozen zijn:

Mijn kip gered...
Na twee dagen liep ze
kwiek in het buitenhok
sprong over het konijn
recht in mijn armen.

Remco Ekkers (fragment)

Tijger
de wind
huilt aan het raam
het is donker buiten
daar komt
de TIJGER
Whaaww

Hans Hagen

Er is geen kind die niet snapt waar het over gaat, dat is bij het volgende gedicht wel anders.

Moraal
Van alle griezels goed gevreesd
moet eigenlijk veiligheid het meest.

Leo Vroman (fragment uit Larf en specht)

Wat is veiligheid eigenlijk?
We praten over veiligheidsspelden en veiligheidsriemen. Een veiligheidsbril tegen de zon, veilig oversteken. Wat die griezels met veiligheid te maken hebben blijft verborgen.
Het zoeken naar woorden en situaties waar veilig in voorkomt houdt de kinderen meer bezig. Aan de betekenis van Moraal komen we niet toe, gelukkig maar want ik weet even niet hoe ik dat aan de derde groepertjes moet uitleggen.

De wielrenner
Kijk daar rijdt hij:
Piet van dijk!
Kom kijken voor de ramen
of langs de straten, allemaal samen.
Kijk, daar rijdt hij
Piet van Dijk! ..
.
Karel Eykman (fragment)

Vooral de tekening bij het gedicht, waar een jongen woest over de staart van een kat fietst en lantarenpalen, auto’s en mensen ondersteboven rijdt, krijgt alle aandacht. Wedstrijdjes op de fiets, daar weten de kinderen veel over te vertellen.

Het kenmerk van het werken met die stapel gedichten is dat je als leerkracht tevoren niet weet waar de kinderen op zullen vallen. Dat is het spannende aan de werkvorm.
Onverwachte onderwerpen zoals veiligheid komen aan de orde, naast gemakkelijke: dieren.
Dieren die zo getemd zijn dat ze een rol in de verbeelding van de kinderen kunnen spelen. Die brul van de tijger is bedoeld om bloedstollend over te komen, maar het is een vriendelijke tijger die in de slaapkamer van kinderen komt snuffelen.
De kip wordt niet geslacht maar naar de dierendokter gebracht.

Hoe kiezen de kinderen de gedichten,
en waar ga je mee verder?

De illustraties zijn belangrijk bij het kiezen.
In de tekening is in één oogopslag te zien waar het over gaat. Een gedicht moet je eerst kunnen lezen en daarna nog kunnen begrijpen ook.
Plotseling valt hun oog op een woord dat hen boeit, nog voor het een plaats in de context van het geheel heeft gekregen.

Bijvoorbeeld: een lang gedicht van Leo Vroman beslaat twee pagina’s.
De kinderen kiezen het laatste couplet dat eenzaam op de volgende pagina staat en hebben niet door dat het bij het voorgaande deel van het gedicht hoort.

Uit het couplet Van alle griezels goed gevreesd / moet eigenlijk veiligheid het meest. Kiezen ze ‘veiligheid’ als een woord dat herkenning oproept. Daarna komt het gesprek over veiligheidsriemen op gang en is het gedicht even uit het oog verdwenen.

Gaat het om het op gang brengen van een ervaringsstroom dan is je doel bereikt en hebben de kinderen een onderwerp bij de kop waar veel over te vertellen is en waar ze veel over weten.
Als het je om het gedicht als geheel gaat is het natuurlijk jammer dat het grootste deel van het gedicht overgeslagen is. Er moet iets gebeuren om de kinderen terug bij de brontekst te brengen. Na het korte uitstapje kan het gehele gedicht opnieuw voorgelezen worden en bestaat er een grote kans dat andere kenmerken de aandacht trekken.
Stimulerende vragen van de leerkracht helpen de kinderen uit meerdere facetten van de tekst te kiezen.

Er staan een aantal sleutelwoorden op het bord die ieder bij een gedicht horen.
In het algemeen kies je zelf welk thema centraal zal staan. Dat doe je nu niet.
Vraag de kinderen een getekend lijstje te maken bij één van de sleutelwoorden.
Daarna volgen het gebruikelijke tweetalgesprek en de schrijfronde.
Het blijkt dat de meeste kinderen kiezen voor het sleutelwoord ‘Whaaaww’. De lijstjes gaan over dieren in Artis.
Behalve bij Robert. Zijn aandacht wordt geheel opgeëist door een boek over Dinosaurussen dat op de boekenplank ligt. Zijn verhalen gaan daar over, maar het zijn in wezen niet meer dan een rij ingewikkelde namen van de sauriërs en of het planten- of vleeseters zijn.

Welk prentenboek zullen we in groep 1/2 nemen?
In de meeste gevallen kiest de juf of de meester het boek uit om voor te lezen.
Soms is het gewoon een leuk boek, of het is een boek dat aansluit op een thema.
In deze lessen wil ik dat de kinderen zelf een boek uitkiezen dat ik ga voorlezen.
Daarmee krijgen de kinderen een soort verantwoordelijkheid voor de inhoud van de les.
Ze zullen dat niet meteen als zodanig ervaren, maar ik hoor nu helemaal niet: “Oh dat boek kennen we al”.

Het uitkiezen is, net zoals alle andere activiteiten, een ‘werkvorm’.
En een werkvorm heeft steeds stapjes.
De eerste stap is dat ik een stapel van 6 boeken op tafel leg.

De tweede stap is dat vier kinderen die stapel bekijken en er in overleg met elkaar 2 uitzoeken die ze aan mij terug geven.
Nu zijn er vier boeken over.

De derde stap is dat twee andere kinderen van die vier er weer twee aan mij terug geven. Weer overleggen ze met elkaar en ze kiezen voornamelijk op de omslag.

De vierde stap: een ander kind kiest uit die twee boeken degene die voorgelezen zal worden. Nu mag er ook in het boek gekeken worden, hoe de plaatjes er uitzien en of er veel of weinig tekst in staat.

Ik ga het boek voorlezen. Het is deze keer “Taart voor kleine beer”
In de meeste boeken heb ik de tekst gekopieerd en omgekeerd in het boek geplakt.
Zo kan ik gemakkelijk te tekst lezen terwijl ik het boek zichtbaar voor de kinderen op mijn knieën heb.

De tweede ronde in de kring is een praatronde.
De kinderen hebben het over alles wat in het boek voor komt. De kinderen willen graag weten wie van de dieren de oudste is. Dat komt omdat kleine beer jarig is en nergens staat hoe oud hij geworden is.
De haas is de grootste op de plaatjes, dus die moet ook wel de oudste zijn.
We vertellen elkaar over het bakken van taarten.

De derde ronde is een lijstje van alle soorten taarten die je zelf wel eens hebt helpen maken of helpen opeten.

Na de pauze gaan we in groepjes werken.
Een groepje maakt een tekening met behulp van vormstempels.
Een ander groepje tekent de taarten
De rest verdeelt zich over de hoeken.
We schrijven de teksten weer bij de tekeningen.
Als we de teksten gaan voorlezen wil een groepje het verhaal met stokpoppen spelen.
Ze oefenen in de gang, maar raken verstrikt in ingewikkelde afspraken wie met welke pop mag spelen. Met een beetje ondersteuning komt er een herkenbaar poppenspel tevoorschijn. Alle andere verhalen worden voorgelezen.

We sluiten de les af met een rondje: Welke taarten bestaan er? Ieder kind noemt er eentje en zo ontstaat een mooie rij met alle mogelijke taarten. De chocoladetaart met één aardbei in het midden wordt het meest genoemd want die staat in het boek.

Een boek met tellen en schatten
De kring begint met een vertelronde over schoenen.
Dat komt omdat er een bijzonder paar nieuwe schoenen is.
We bekijken elkaars schoenen en maken een verzameling van alle schoenen met veters, met gespen, je weet wel die dingen met zo’n pennetje, en die met klittenband dicht gaan. We kijken ook naar de verschillende kleuren.
Dan staat het kiezen van het voorleesboek weer op het programma. Het is dezelfde stapel als de vorige keer en de juf en ik zijn benieuwd of ze misschien opnieuw het boek van de vorige keer zullen uitkiezen.
De kinderen hebben al voor de les in de boeken zitten kijken. Dat mocht, als ze maar op de tafel blijven liggen zodat iedereen mee kan doen.
De kinderen zijn al meer gewend aan het samen uitkiezen, hoewel een enkeling de keuze vanuit de zijlijn probeert te beïnvloeden.
Het wordt deze keer “Maatje spanrups”

Als ik voorlees vraag ik de kinderen te schatten hoe lang de snavels of de staarten van de verschillende dieren zijn. We tellen hardop als ik met mijn vingen over de plaatjes ga.
Het valt mij op dat de oudere kleuters een redelijk gevoel voor de verschillen in maat hebben. Het lijstje dat we maken gaat over de kleinste dieren die je kent, een mugje, tot de grootste. Je moet er ook iets mee beleefd hebben. De mug die je prikte, de hond die je mocht uitlaten, de duif die bijna op je hoofd poepte, de koe die je met zijn ruwe tong likte.
We gaan weer in twee groepjes tekenen, stempelen en bijschrijven.

De voorleesronde gaat nu iets anders.
Iedere keer als er een verhaal geweest is mogen twee kinderen er een vraag over stellen.
En vragen stellen is iets anders dan vertellen wat je zelf ook wel eens meegemaakt hebt. Dat verschil tussen een vraag en een vertelbeurt moeten de kinderen soms nog leren.
Voor de pauze vraag ik de kinderen in volgorde van klein naar groot te gaan staan. Bij de oudste kleuters, die meestal ook de grootste zijn, lukt dat prima.
Voor de kleintjes duurt het te lang voor ze aan de beurt zijn zodat de staart van de rij een beetje ongeordend blijft.
Maar dat is niet erg. We zijn toch met meten bezig geweest, net zoals Maatje, die zijn leven moest redden door de Nachtegaal een lang lied te laten zingen.

Een boek met een lange slang
Gloria wil graag het verhaal van de eerste keer voorlezen.
Ze neemt plaats op de voorleesstoel en vertelt het verhaal van kleine beer aan de hand van de plaatjes.
De kinderen luisteren aandachtig en geven af en toe commentaar als er teveel van het oorspronkelijke verhaal afgeweken wordt.
Daarna kiezen we weer een boek.
De samenwerking in het overleg loopt perfect.
De kinderen weten nu precies wat er van hen verlangd wordt. Toch blijven kinderen met blikken en gebaren proberen de keuze te beïnvloeden.
Er zijn kinderen die hun eigen keuze doorzetten en er zijn er die verlegen toegeven.
Zo gaat het in de grote mensen wereld ook.

De keuze valt op “Wil je mijn vriendje zijn?”
De structuur van het verhaal is identiek aan “Maatje spanrups” Op iedere bladzijde valt er te tellen hoe lang een staart is. Aan het meten van de slang begin ik niet want die loopt over een aantal pagina’s.
In de vertelronde, praten de kinderen over de dingen die in het boek aan de orde geweest zijn. Het is eigenlijk een soort ‘navertellen’. Dat is deze keer ook goed.

Het lijstje gaat weer over dieren die je kent. Het moeten dieren zijn die je op school, thuis, in het park of in de kinderboerderij gezien hebt. De kinderen zijn nog niet zo lang geleden in de kinderboerderij geweest en hebben dan ook veel ervaringsverhalen. Het dikke varken is een van de belangrijkste personages in hun verhalen.
De rest van de les kennen de kinderen nu ook goed: tekenen, stempelen, bijschrijven en voorlezen met vragen stellen.


Henk van Faassen

1)
Goedemorgen welterusten, bloemlezing door Kees Fens (Querido)
Nou hoor je het eens van een ander, bloemlezing door Kees Fens (Querido)
Het dierbaarst, bloemlezing door Henk van Zuilen (Kwadraat)
Dieren, bloemlezing door Willem Wilmink (Prometheus)
Anders gezegd, bloemlezing door Herman Kakebeeke (Holland) Achter de verte, door Bas Rompa (Holland)
Haringen in sneeuw, door Remco Ekkers (Leopold)
Praten met een reiger, door Remco Ekkers (Leopold)
Ruim je kamer op, door Karel Eykman (De Harmonie)
Laura’s gedichten, door Laura Ranger (De Bezige Bij) Laura’s verhalen, door Laura Ranger (De Bezige Bij)
Daar komt de tijger, door Hans Hagen en Monique Hagen (Van Goor)

2)
De gekozen gedichten in deze les in groep 7 zijn:
Koeieleven Bas Rompa uit: Achter de verte
Levenslang verliefd Bas Rompa uit: Anders gezegd
Aquarium Louis Verbeeck uit: Dieren
Blauwtje onder het mes Laura Ranger uit Laura’s gedichten
Margriet Han G Hoekstra uit: Goedemorgen, welterusten

3)
De gedichten die groep 4/5 uitzocht waren:
Mijn kibbelkamaraadje van Laura Ranger uit: Laura’s verhalen
St. Joris en de draak door Remco Ekkers uit: Praten met een reiger
Driftbui door Karel Eykman uit: Ruim je kamer op
Haren door Remco Ekkers uit: Haringen in sneeuw
Mijn Papa door Laura Ranger uit: Laura’s gedichten

4)
De gedichten van groep 8:
Kletskous Remco Ekkers uit: Haringen in sneeuw
Ruim je kamer op: Karel Eykman
Mijn Papa door Laura Ranger uit: Laura’s gedichten
Kussen Hans Hagen uit: Daar komt de tijger
Mijn school Diet Verschoor uit: Anders gezegd


naar boven

terug naar lesontwerpen